Hersenonderzoekers op zoek naar de bron van mystiek

Zit God in ons brein? Of cre?erde God ons brein? Geleidelijk aan komen de standpunten van wetenschap en religie nader tot elkaar.

Een jaar of twee geleden wist het weekblad Newsweek de aandacht te trekken met het omslagartikel God in Your Brain. Does Science Make Religion Unnecessary? Zoals gewoonlijk in de journalistiek ging het artikel niet over God en ook niet over de vraag of neurowetenschap het verschijnsel religie overbodig zou gaan maken. Toch was het omslagartikel best interessant, zodat het dagblad Trouw er op de pagina 'Religie en filosofie' aandacht aan besteedde. Want uiteindelijk is de vraag welke rol onze hersenen bij religieuze ervaringen spelen een belangrijk gespreksthema in het debat tussen wetenschap en religie.
Journaliste Sharon Begley signaleerde in Newsweek de opkomst van een tak van neurowetenschap die zich neurotheologie noemt. Grondlegger van dit vakgebied is dr. James Austin. Deze Amerikaanse neuroloog onderging 19 jaar terug een mystieke ervaring, toen hij zich in een Londens metrostation bevond en onderweg was naar een retraite op het gebied van het Zen-boeddhisme. Plotseling werd Austin een gevoel van verlichting gewaar zoals hij nog nooit eerder had meegemaakt. Zijn gevoel van individualiteit, van afgescheidenheid van de dingen om hem heen verdween als bij toverslag. Ineens zag hij de dingen zoals ze werkelijk zijn. Alles wat op 'ik, mij, mijn' betrekking had verdween uit zijn besef:
'Tijd bestond niet langer. Ik had een besef van eeuwigheid. Mijn oude verlangens, gevoelens van weerzin, angst voor de dood en onopgemerkte neigingen tot zelfzucht verdwenen. Ik was begiftigd met een begrip van de ultieme aard der dingen.'

Voor velen zou deze ervaring het bewijs zijn geweest van een realiteit die voorbij de gewone zintuiglijke werkelijkheid ligt. Maar Austin zag zijn mystieke ervaring meer als een bewijs dat het menselijk brein tot ongewone belevenissen in staat is. En zo ging hij op zoek naar de neurologische basis van spirituele en mystieke ervaring. Hij vermoedde dat het wegvallen van tijd, angst en zelfbewustzijn te maken moest hebben met een soort kortsluiting in de elektrische circuits van de hersenen. De kunst was uit te zoeken welke hersencircuits hierbij betrokken waren.
In feite lag deze conclusie voor de hand. Neurologen hadden al lang uitgezocht welke delen van de hersenen verantwoordelijk zijn voor ons tijdsbesef en ons zelfbewustzijn. Ook onze angsten zijn in specifieke delen van onze hersenen gelokaliseerd. Wanneer de elektrische activiteit in deze circuits onderbroken wordt, zou dat ertoe kunnen leiden dat onze hogere hersenfuncties kortstondig uitvallen. Dat zou de inhoud van een mystieke ervaring zijn. Deze visie zette Austin uiteen in zijn boek Zen and the Brain dat in 1998 bij het prestigieuze MIT Press verscheen en verschillende neurologen ertoe bracht ook zelf onderzoek te gaan doen naar de biologische basis van spirituele ervaring. Het vakgebied van de neurotheologie was geboren.

Inmiddels zijn vijf gebieden in de hersenen gelokaliseerd die betrokken zijn bij mystieke verschijnselen. Dr. Andrew Newberg van de universiteit van Pennsylvania maakt hierbij gebruik van brain-imaging technology. Dit is een techniek waarbij een licht radio-actieve vloeistof in de aderen wordt ingespoten. Wanneer deze vloeistof de hersenen bereikt, kan gemakkelijk worden nagegaan welke delen van het brein geactiveerd zijn. Want dat zijn de delen met verhoogde doorstroming van bloed.
Dr. Michael J. Baine, een collega van Newberg, beoefende een vorm van Tibetaans-boeddhistische meditatie en was bereid om zijn spirituele ervaringen door de hersenapparatuur van Newberg en zijn inmiddels overleden collega Eugene d'Aquilly te laten scannen. Hij concentreerde zijn aandacht op een specifiek beeld, bracht zijn gedachtestroom tot rust en gaf een seintje aan Newberg, toen hij het gevoel had met zijn ware zelf verbonden te zijn. Dat was het moment waarop Newberg de radio-actieve vloeistof via een slangetje inbracht in een ader van de linkerarm van Baine. Vervolgens was het een koud kunstje om de gebieden met verhoogde dan wel verlaagde hersenactiviteit zichtbaar te maken.
Zoals verwacht was er een gebied aan de voorkant van de hersenen dat oplichtte. Dit is het gebied waar onze aandacht geconcentreerd is. Andere gebieden sprongen er juist uit door hun donkerte op de scan. Dit waren de gebieden met duidelijk verlaagde hersenactiviteit. Hiertoe behoorde onder meer het gebied aan de boven- en achterkant van de hersenen dat belast is met onze ori?ntatie in de ruimte. De linkerkant van dit gebied cre?ert de sensatie van een in fysieke zin begrensd lichaam, de rechterkant cre?ert het besef van de fysieke ruimte waarin ons lichaam zich bevindt. Met andere woorden: in dit deel van de hersenen wordt beslist waar ons lichaam eindigt en de rest van de wereld begint.
Newberg en d'Aquilly legden de bevindingen van hun onderzoek neer in een artikel met de fraaie titel Why God Won't Go Away. Het verscheen in april 2002. Daarin merken de onderzoekers over het desbetreffende hersengebied op: 'Als je de zintuiglijke impulsen die naar dit gebied gaan blokkeert, zoals tijdens de intense concentratie van meditatie, verhinder je de hersenen om het onderscheid tussen het zelf en het niet-zelf te cre?ren. De hersenen hebben dan geen andere keus meer dan waar te nemen dat het zelf eindeloos en intiem verweven is met alles en iedereen.'
Maar wat bewijst dit nu eigenlijk? Newberg is blijkbaar van mening dat God in de wetenschap is teruggekeerd en niet van plan is weer op te stappen. En inderdaad maakt de neurotheologie het plausibel dat spirituele ervaringen binnen ieders bereik liggen, zij het dat hiervoor wel bepaalde voorwaarden van buitenaf gecre?erd moeten worden. Wie geen aanleg voor het beoefenen van stilte en meditatie heeft, zou het volgens Newsweek eens kunnen proberen met een wilde, religieuze ceremonie vol gedrum, dans en gezang. Daarbij krijgen de hersenen zoveel input te verwerken dat het elektrische circuit verstopt raakt en bepaalde regionen, waaronder het gedeelte dat tijdens meditatie tot rust komt, verstoken blijven van zenuwprikkels. Met als resultaat: een religieuze ervaring.
Maar journaliste Sharon Begley vindt dit geen overtuigend bewijs dat de hersenen zelf de oorsprong van de godservaring vormen: 'De vraag blijft of ons hersencircuit God cre?ert dan wel dat God ons hersencircuit cre?erde. De beantwoording van deze vraag zal hoogstwaarschijnlijk zuiver een kwestie van geloof blijven.'

Uiteraard heeft de neurotheologie allerminst de religie overbodig gemaakt. Zonder mensen die kunnen mediteren zou zij niet eens aan de benodigde onderzoeksgegevens kunnen komen. Daarbij is het opvallend dat spiritueel bewustzijn juist te maken heeft met het uitvallen van hersenactiviteit. Dit zou kunnen betekenen dat onze hersenen ontworpen zijn om intense religieuze ervaringen zoveel mogelijk te beperken. God zit dan niet in onze hersenen, eerder erbuiten.
Deze visie wordt ondersteund door bijna-doodervaringen. Tijdens bijna-doodervaringen staat de hersenactiviteit op een laag pitje. Tevens vindt een uittreding uit het lichaam plaats. Mensen die onder normale omstandigheden blind zijn kunnen tijdens hun bijna-doodervaring zien. De ervaring van zien is dus niet aan hersenactiviteit gebonden. De godservaring ook niet. Veel mensen ontmoeten tijdens hun uittreding een gestalte van licht die onvoorwaardelijke liefde uitstraalt.
Binnen de neurowetenschap is het echter nog niet goed bespreekbaar dat bewustzijn ook kan bestaan zonder hersenactiviteit. Het heersende geloof is dat ons bewustzijn het product is van onze hersenen. Gedachten zouden het product van de elektrochemische activiteit in onze hersenen vormen. Maar niemand kan bewijzen dat dat ook waar is, omdat gedachten nu eenmaal een mentale activiteit vormen die niet met wetenschappelijke apparatuur gemeten kan worden. Het is niet mogelijk om experimenteel aan te tonen dat electrochemische activiteit in gedachten of gevoelens omgezet worden.
Volgens natuurkundige B. Allan Wallace is het trouwens onwaarschijnlijk dat een dergelijke omzetting daadwerkelijk plaatsvindt. In zijn boek Choosing Reality betoogt hij dat zo'n omzetting gepaard zou moeten gaan met een overgang van energie van het fysische naar het mentale domein. Maar de behoudswetten uit de fysica verbieden zo'n overgang:
'De hypothese dat een fysische component of fysisch proces in de hersenen in een niet-fysische mentale gebeurtenis transformeert zou sterk ontkend moeten worden op grond van het behoud van energie. Gegeven de hypothese dat mentale gebeurtenissen niet van fysische aard zijn kun je zeker zeggen dat gebeurtenissen in de hersenen invloed uitoefenen op mentale verschijnselen. Maar je kunt niet zeggen dat zij de bron van de mentale activiteit vormen.'
Wat is die bron dan wel? Wallace legt uit dat er volgens het boeddhisme ook voor mentale activiteit een soort behoudswet geldt. Gedachten komen voort uit voorafgaande mentale activiteit zoals fysische verschijnselen voortkomen uit eerdere fysische verschijnselen. Een voorbeeld hiervan is het optreden van hoge begaafdheid. Het Boeddhisme gaat ervan uit dat mensen met een uitzonderlijk talent die aanleg in de loop van verschillende levens hebben ontwikkeld.
Net zoals fysische energie niet in de loop van de tijd vernietigd kan worden is dat ook niet mogelijk met het bewustzijn. Na de fysieke dood stroomt bewustzijn volgens Boeddhistisch inzicht in een subtiele vorm door. In deze stroom van bewustzijn zitten ook onze herinneringen opgeslagen. En dat verklaart waarom de Boeddha zich tijdens het moment van verlichting in Bodhgaya zijn vorige levens kon herinneren.


Wallace heeft jarenlang een training ondergaan in boeddhistische kloosters in India. Hij verricht ook vertaalwerk voor Tibetaanse geleerden en verkeert daarmee in een gunstige positie om Oost en West nader tot elkaar te brengen. Maar wil West wel luisteren naar wat Oost te zeggen heeft? Samen met Zara Houshmand en Robert B. Livingston gaf Allan Wallace het congresverslag uit van een ontmoeting van de Dalai Lama met een uitgelezen gezelschap van westerse neurowetenschappers en psychiaters. Het verslag dat twee jaar terug bij Snow Lion Publications uitkwam heet Consciousness at the Crossroads: Conversation with the Dalai Lama on Brain Science and Buddhism.
Zoals gewoonlijk brengt de Dalai Lama het boeddhistische standpunt helder onder woorden: 'Wanneer het lichaam ophoudt te functioneren als lichaam bestaat er nog steeds een zeer subtiel bewustzijn dat onafhankelijk van het lichaam is. Het feit dat het lichaam in staat is te handelen als basis voor mentale gebeurtenissen is afhankelijk van het vooraf bestaan van een subtiele vorm van bewustzijn.
Wat u bewustzijn noemt, is gebaseerd op een subtiel type van gewaarzijn. Er bestaat een vermogen tot gewaar zijn, een soort helderheid dat van de aard van het gewaarzijn zelf is en dat dient voort te komen uit een voorafgaand moment van gewaar zijn... Er bestaat een continu?m van gewaar zijn dat zelf niet uit de hersenen voortkomt.'
Psychiater Allan Hobson van de Harvard Medical School is het hiermee niet eens: 'De westerse wetenschap zou duidelijk niet instemmen met dat onderdeel van de Boeddhistische theorie. We zouden aannemen dat bewust besef op een bepaald moment van de ontwikkeling van de hersenen ontstaat, namelijk wanneer er genoeg zenuwcellen met uitgewerkte onderlinge verbindingen bestaan om bewuste activiteit te ondersteunen. We zouden eraan vasthouden dat er geen bewustzijn voorafgaand aan deze activiteit bestaat. In onze visie is bewustzijn daarom niet oneindig. Het vindt zijn oorsprong in de hersenen en het kan zich in wezen enkel uitbreiden in de mate dat er breinen bestaan die in biologisch opzicht voldoende ontwikkeld zijn.'
Tot een echte verstandhouding tussen de twee partijen komt het niet. Maar het is op zich al heel opmerkelijk dat materialistisch geori?nteerde wetenschappers in discussie zijn met een vertegenwoordiger van een spirituele discipline. Dat is een vooruitgang. Want in feite heeft het Westen ten aanzien van het probleem van geest en materie maar twee kentheoretische posities voortgebracht: materialisme en dualisme. Dualisme houdt in dat geest en materie beide in zichzelf bestaan. Materialisme gaat ervan uit dat geest uit de materie voortkomt.
Allan Wallace legt in Consciousness at the Crossroads uit dat het Tibetaanse Boeddhisme geen van beide posities onderschrijft. Ook het standpunt dat geest en materie beide in zichzelf bestaan wordt onhoudbaar geacht: 'Het Tibetaanse standpunt verwerpt niet alleen de notie dat de geest een substantie of een ding is dat in zichzelf bestaat, maar het ontkent tegelijkertijd dat fysische verschijnselen zoals we die ervaren, op zichzelf bestaan. Mentale ?n fysische verschijnselen, zoals we ze waarnemen en begrijpen, bestaan enkel in relatie tot onze waarnemingen en begrippen.'

Daarmee zijn we terug bij de positie die in de jaren zeventig van de vorige eeuw al door theoretisch fysicus Fritjof Capra werd ingenomen. Die verkondigde in The Tao of Physics dat er opmerkelijke parallellen bestonden tussen westerse fysica en oosterse mystiek. Hij werd in die tijd door veel wetenschappers met hoongelach overladen. Maar een feit blijft dat geen natuurkundige met zekerheid kan zeggen of een elektron een bestaan heeft onafhankelijk van de wijze van waarneming. Want in het ene experiment gedraagt het elektron zich als elementair deeltje, in het andere als een trillingsverschijnsel.
De winst die sinds The Tao of Physics is geboekt, bestaat hieruit dat westerse wetenschappers en beoefenaars van oosterse disciplines nu werkelijk met elkaar in gesprek zijn. Het punt waarop ze het met elkaar oneens zijn wordt daarbij steeds duidelijker. De grote vraag is die naar de aard van bewustzijn. Bestaat er een subtiele vorm van bewustzijn die voorafgaat aan ons gewone bewustzijn? Een subtiele vorm die, zoals het uit de hindoefilosofie bekende Akasha, ook de eigenschap van herinnering zou hebben? Welk argument zal uiteindelijk de doorslag geven?
Het bijzondere aan het Tibetaanse boeddhisme is dat hun leraren minder in de greep van de tijd zitten dan hun westerse gesprekspartners. Als de veertiende Dalai Lama er niet in zou slagen om de neurowetenschappers van het Boeddhistische standpunt te overtuigen, dan kan hij het altijd nog in een volgend leven als de vijftiende Dalai Lama proberen. Maar deze herkansing is vanuit het westerse standpunt nog niet eens voor de meest briljante neurowetenschapper weggelegd. James Austin moet het doen met die ene ervaring in het metrostation die zijn leven veranderde. Toch zou hij kunnen vermoeden dat die ervaring meer eeuwigheidswaarde heeft dan de theorie?n die hij als neurotheoloog te berde brengt.

Herbert van Erkelens