Eerbied voor getal en vorm
Waarom blijven we onze kinderen plagen met al dat kale, prestatiegerichte onderwijs? Gelukkig zijn er docenten die er bewust voor kiezen niet met hun tijd mee te gaan. ‘Wij werken praktisch nooit met moderne leerboeken.’
In Een nieuw gesprek met God discussieert Neale Donald Walsh met een innerlijke gesprekspartner over maatschappelijke vraagstukken. Hij noemt deze gesprekspartner ‘God’. Een van de vraagstukken betreft opvoeding en onderwijs. De God van Walsh merkt daarover op: ‘Opvoeding heeft weinig met kennis uit te staan. Opvoeding heeft te maken met wijsheid. Wanneer jullie je kinderen kennis geven, vertellen jullie hun wat ze moeten denken. Dat wil zeggen: jullie vertellen hun wat ze verondersteld worden te weten; wat jullie willen dat zij als waar opvatten. Wanneer je je kinderen wijsheid geeft, vertel je ze niet wat ze moeten weten, of wat waar is, maar eerder hoe ze hun eigen waarheid kunnen vinden. Laat een kind dingen zelf ontdekken. Weet dit: kennis raakt verloren. Wijsheid raakt nooit vergeten.’
Tijdens de dialoog wordt Walsh steeds enthousiaster over het onderwijsmodel dat God hem aanreikt. God lanceert het idee om hogere concepten op school te gaan onderwijzen, zoals bewustzijn, eerlijkheid en verantwoordelijkheid. Maar hij geeft zijn eigen ideeën weinig kans: ‘De mensheid verschilt in zijn fundamenteelste instincten nog niet veel van de holbewoners. Toch wordt iedere poging om daar verandering in te brengen met minachting begroet. Elke uitdaging om naar jullie waarden te kijken, en die zelfs misschien te herstructureren, wordt met angst begroet en daarna woede.’
Toch is de situatie niet helemaal hopeloos, want er bestaat op onze planeet al een onderwijsmodel dat onderlinge wedijver tussen jongeren juist niet aanmoedigt en zich concentreert op het aankweken van wijsheid: ‘Lees de geschriften van Rudolf Steiner maar. Bestudeer de methoden van de Waldorfschool die hij heeft ontwikkeld.’
In Nederland wordt de Waldorfschool de Vrije School genoemd en inderdaad zetten de docenten van dit schooltype zich af tegen wat zij ‘het afrekenmodel’ noemen. Op een Vrije School worden kinderen niet afgerekend op hun prestaties. Er wordt gekeken naar hun innerlijke ontwikkeling. Steiner heeft over de ontwikkeling van het kind tot volwassene het een en ander beweerd dat als leidraad wordt gehanteerd. Hij vond het van belang puur abstracte begrippen pas te introduceren als de kinderen geslachtsrijp zijn. Op een Vrije School wordt de overgang van het beeldend-kwalitatieve naar het wetenschappelijk-exacte denken pas na de eerste twee brugjaren gemaakt.
Belangrijker is echter, dat een Vrije School een vertelcultuur kent. Er worden niet alleen maar feiten en theorieën uit de natuurwetenschap gepresenteerd. Er wordt ook veel verteld over grote uitvinders en wetenschappers. Er wordt een beeld geschetst van het type mens dat in de Westerse cultuur de ontwikkeling van wetenschap en techniek in gang heeft gezet. De leerlingen kunnen zich een beeld vormen van de krachten die in de laatste driehonderd jaar het aanzien van de wereld hebben veranderd.
In het reguliere onderwijs is er een veel grotere gebondenheid aan onderwijsmethoden die via leerboeken op de markt gebracht worden. De docent heeft minder vrijheid dan op een Vrije School en hij of zij ziet zich geconfronteerd met een toenemende onrust onder de jeugd. Onderwijsmethoden die 25 jaar terug nog naar behoren functioneerden, zijn inmiddels afgeschaft. Daar was volgens Henk Schoonheim ook alle reden voor. Hij is in Alkmaar als docent/trajectbegeleider, trainer en vertrouwenspersoon werkzaam in het reguliere onderwijs. Hij meent:
‘Het is niet eenvoudig om in onze tijd docent te zijn. Je moet in de eerste plaats begeleider zijn in het proces van leren en ontwikkelen. Hoewel de interesse voor spiritualiteit in de samenleving toeneemt, is dat bij jongeren maar spaarzaam het geval. Zij zitten doorgaans passief te wachten op de bel, het einde van de les en de lesdag. Want dan kan het echte leven weer doorgaan. Een bespiegeling of filosofie is maar aan een enkeling besteed. School en leren komen op de vijfde plaats van hun prioriteitenlijstje.
De kunst van onderwijs is in deze overvloedige zap- en sms-cultuur in de eerste plaats: de jongere uitdagen en confronteren. Prikkelen op een eerlijke en open manier tot in beweging komen. Een leervraag ontwikkelen. Opdrachten laten uitvoeren en het resultaat aan elkaar te laten presenteren. Een onderzoeksproject te laten uitwerken, duidelijk gestructureerd en begrensd. Onderwijs is vandaag dynamisch, flexibel, individueel én sociaal gericht, resultaatgericht.’
Uiteraard stelt het reguliere onderwijs zich tot taak kennis over te dragen. Veel scholen zijn daarbij prestatiegericht en ze willen de zelfwerkzaamheid van leerlingen graag stimuleren. Maar een leerling kan maar in beperkte mate kennis in zich opnemen. Schoonheim merkt erover op:
‘Het onderwijsmodel van vroeger, waarbij de docent zelf veel aan het woord was is nu niet zonder meer te gebruiken. Er zijn nog steeds docenten die een klas leerlingen kunnen boeien met een goed, leerzaam verhaal. Als dat elke les lukt, hebben zij een uitzonderlijk talent. Gemiddeld kan een mens maximaal een kwartier, hooguit een half uur geconcentreerd nieuwe kennis toevoegen, aansluitend op zijn oude kennis. Dat kan onmogelijk een hele schooldag lang.
Daarom worden tegenwoordig terecht actieve didactische werkvormen toegepast; vooral jonge, onrustige naturen willen iets te doen hebben. Bovendien houd je het niet vol als docent, uur na uur, dag na dag, vóór de klas een performance op te voeren. Je raakt, zeker als je niet meer zo jong bent, vroeg of laat uitgeput.
Dit scenario lijkt erger dan het in de praktijk is. Jongeren zijn tegenwoordig bijdehand, helder, soms ook wijs en gevoelig, vaak ook onnozel en naïef, niet zo gewend vrijheid en verantwoordelijkheid te dragen en vertonen vaak alibi-gedrag. Maar het is altijd boeiend om met ze contact te hebben en samen te werken. Leerlingen op een bovenbouw van een Vrije School kunnen hiervan wel eens positief afwijken, zeker als ze van de onderbouw komen. Maar zelf heb ik daar geen ervaring mee.’
Hoe gaat het dan op een Vrije School toe? Er wordt veel minder met boeken gewerkt. De leerlingen krijgen iedere ochtend gedurende twee lesuren periode-onderwijs. Dat is onderwijs in één speciaal vak gedurende een aaneengesloten periode van drie weken. De leerlingen maken een eigen verslag van wat de docent in zo’n periode aan leerstof aanreikt. Waar dat mogelijk is, wordt de zelfwerkzaamheid net zo gestimuleerd als in het reguliere onderwijs. Sommige vakken zoals scheikunde lenen zich daar goed voor. Verder leren de leerlingen ook met hun handen te werken. Er worden vakken als tuinbouw en houtbewerken gegeven. Ook is er veel aandacht voor muziek.
Ook de leerlingen van een Vrije School gaan volop mee in de sms-cultuur, leven mee met het programma Idols en waar ze de kans krijgen jagen ze hun docenten overspannen de klas uit. Maar er wordt wel degelijk geprobeerd wijsheid aan hen over te dragen.
Ook hecht men op een Vrije School waarde aan traditionele kennis. Als voorbeeld kan de wiskunde dienen. De docenten wis- en natuurkunde van een Vrije School zijn allerminst te spreken over de moderne onderwijsmethoden op dit gebied. Allemaal klagen zij erover dat de wiskunde de laatste jaren alleen maar is ‘opgeleukt.’ Aan de Rudolf Steinerschool in Haarlem is de overheersende mening:
‘In het huidige wiskunde-onderwijs gaat het steeds meer om het bedenken van leuke sommen. Moeilijke concepten zoals het differentiëren van een functie worden nauwelijks uitgelegd. Je kunt de afgeleide van een functie niet goed definiëren als je niet eerst hebt uitgelegd hoe je de limiet naar oneindig neemt. Het heeft de mensheid vanaf de oude Grieken tweeduizend jaar gekost om het limietbegrip te ontwikkelen. Maar het lijkt er nu op dat wij de leerlingen niet meer mogen vertellen wat grote geesten zoals Newton en Leibniz daarover te melden hebben. Want stel je voor dat zij het niet leuk vinden om zich in het begrip ‘oneindig’ te moeten verdiepen!’
Ook veel wiskunde-docenten uit het reguliere onderwijs zijn niet blij met de nieuwe ontwikkeling. Maar zij kunnen moeilijk individueel uit de pas gaan lopen ten opzichte van collega’s die wel enthousiast zijn. Zij moeten functioneren in een cultuur van veel te grote scholen met een strakke organisatie. Op een Vrije School blijkt dat veel leerlingen helemaal niet zitten te wachten op opgeleukt wiskunde-onderwijs. Ze ervaren de concepten en formules uit de wiskunde juist als spannend. Ze willen echt nieuwe dingen leren.
Bovendien krijgen ze bijzondere takken van de wiskunde aangeboden, zoals projectieve meetkunde, waarin perspectief een heel belangrijke rol speelt. De docenten kiezen er bewust voor niet met hun tijd mee te gaan:
‘Wij werken praktisch nooit met moderne leerboeken. Want ze zijn totaal ongeschikt voor de wijze waarop wij wiskunde doceren. Bij ons is er nog eerbied voor getal en vorm. We zien die creaties van de menselijke geest niet enkel als trucjes om op een handige wijze de materie naar je hand te zetten. Op docenten in het reguliere onderwijs komt dat wel eens als ouderwets over, maar je kunt een wetenschap die al zesduizend jaar bestaat niet van de ene dag op de andere in een heel ander jasje gieten. Je moet leerlingen de kans blijven geven met het geheim van de wiskunde in aanraking te komen, ieder op hun eigen niveau en ontwikkeling.’
Het ziet ernaar uit dat niet alleen wijsheid, maar ook kennis op een Vrije School beter gewaarborgd zijn. Natuurlijk hangt veel af van de schoolleiding en van de docent. Maar het gaat volgens de God van Walsh ook enkel om een werkbaar model. Het is jammer dat dit model niet veel ruimer wordt toegepast. God begrijpt in ieder geval niet waarom wij onze kinderen zo blijven plagen met al dat kale, prestatiegerichte onderwijs: ‘Waarom leren jullie je kinderen niet over beweging en muziek, vreugde en kunst, de geheimen in sprookjes en de wonderen van het leven? Waarom brengen jullie niet naar buiten wat natuurlijkerwijze te vinden is in het kind, eerder dan proberen er iets in te stoppen dat onnatuurlijk is voor het kind?’
Herbert van Erkelens
In Een nieuw gesprek met God discussieert Neale Donald Walsh met een innerlijke gesprekspartner over maatschappelijke vraagstukken. Hij noemt deze gesprekspartner ‘God’. Een van de vraagstukken betreft opvoeding en onderwijs. De God van Walsh merkt daarover op: ‘Opvoeding heeft weinig met kennis uit te staan. Opvoeding heeft te maken met wijsheid. Wanneer jullie je kinderen kennis geven, vertellen jullie hun wat ze moeten denken. Dat wil zeggen: jullie vertellen hun wat ze verondersteld worden te weten; wat jullie willen dat zij als waar opvatten. Wanneer je je kinderen wijsheid geeft, vertel je ze niet wat ze moeten weten, of wat waar is, maar eerder hoe ze hun eigen waarheid kunnen vinden. Laat een kind dingen zelf ontdekken. Weet dit: kennis raakt verloren. Wijsheid raakt nooit vergeten.’
Tijdens de dialoog wordt Walsh steeds enthousiaster over het onderwijsmodel dat God hem aanreikt. God lanceert het idee om hogere concepten op school te gaan onderwijzen, zoals bewustzijn, eerlijkheid en verantwoordelijkheid. Maar hij geeft zijn eigen ideeën weinig kans: ‘De mensheid verschilt in zijn fundamenteelste instincten nog niet veel van de holbewoners. Toch wordt iedere poging om daar verandering in te brengen met minachting begroet. Elke uitdaging om naar jullie waarden te kijken, en die zelfs misschien te herstructureren, wordt met angst begroet en daarna woede.’
Toch is de situatie niet helemaal hopeloos, want er bestaat op onze planeet al een onderwijsmodel dat onderlinge wedijver tussen jongeren juist niet aanmoedigt en zich concentreert op het aankweken van wijsheid: ‘Lees de geschriften van Rudolf Steiner maar. Bestudeer de methoden van de Waldorfschool die hij heeft ontwikkeld.’
In Nederland wordt de Waldorfschool de Vrije School genoemd en inderdaad zetten de docenten van dit schooltype zich af tegen wat zij ‘het afrekenmodel’ noemen. Op een Vrije School worden kinderen niet afgerekend op hun prestaties. Er wordt gekeken naar hun innerlijke ontwikkeling. Steiner heeft over de ontwikkeling van het kind tot volwassene het een en ander beweerd dat als leidraad wordt gehanteerd. Hij vond het van belang puur abstracte begrippen pas te introduceren als de kinderen geslachtsrijp zijn. Op een Vrije School wordt de overgang van het beeldend-kwalitatieve naar het wetenschappelijk-exacte denken pas na de eerste twee brugjaren gemaakt.
Belangrijker is echter, dat een Vrije School een vertelcultuur kent. Er worden niet alleen maar feiten en theorieën uit de natuurwetenschap gepresenteerd. Er wordt ook veel verteld over grote uitvinders en wetenschappers. Er wordt een beeld geschetst van het type mens dat in de Westerse cultuur de ontwikkeling van wetenschap en techniek in gang heeft gezet. De leerlingen kunnen zich een beeld vormen van de krachten die in de laatste driehonderd jaar het aanzien van de wereld hebben veranderd.
In het reguliere onderwijs is er een veel grotere gebondenheid aan onderwijsmethoden die via leerboeken op de markt gebracht worden. De docent heeft minder vrijheid dan op een Vrije School en hij of zij ziet zich geconfronteerd met een toenemende onrust onder de jeugd. Onderwijsmethoden die 25 jaar terug nog naar behoren functioneerden, zijn inmiddels afgeschaft. Daar was volgens Henk Schoonheim ook alle reden voor. Hij is in Alkmaar als docent/trajectbegeleider, trainer en vertrouwenspersoon werkzaam in het reguliere onderwijs. Hij meent:
‘Het is niet eenvoudig om in onze tijd docent te zijn. Je moet in de eerste plaats begeleider zijn in het proces van leren en ontwikkelen. Hoewel de interesse voor spiritualiteit in de samenleving toeneemt, is dat bij jongeren maar spaarzaam het geval. Zij zitten doorgaans passief te wachten op de bel, het einde van de les en de lesdag. Want dan kan het echte leven weer doorgaan. Een bespiegeling of filosofie is maar aan een enkeling besteed. School en leren komen op de vijfde plaats van hun prioriteitenlijstje.
De kunst van onderwijs is in deze overvloedige zap- en sms-cultuur in de eerste plaats: de jongere uitdagen en confronteren. Prikkelen op een eerlijke en open manier tot in beweging komen. Een leervraag ontwikkelen. Opdrachten laten uitvoeren en het resultaat aan elkaar te laten presenteren. Een onderzoeksproject te laten uitwerken, duidelijk gestructureerd en begrensd. Onderwijs is vandaag dynamisch, flexibel, individueel én sociaal gericht, resultaatgericht.’
Uiteraard stelt het reguliere onderwijs zich tot taak kennis over te dragen. Veel scholen zijn daarbij prestatiegericht en ze willen de zelfwerkzaamheid van leerlingen graag stimuleren. Maar een leerling kan maar in beperkte mate kennis in zich opnemen. Schoonheim merkt erover op:
‘Het onderwijsmodel van vroeger, waarbij de docent zelf veel aan het woord was is nu niet zonder meer te gebruiken. Er zijn nog steeds docenten die een klas leerlingen kunnen boeien met een goed, leerzaam verhaal. Als dat elke les lukt, hebben zij een uitzonderlijk talent. Gemiddeld kan een mens maximaal een kwartier, hooguit een half uur geconcentreerd nieuwe kennis toevoegen, aansluitend op zijn oude kennis. Dat kan onmogelijk een hele schooldag lang.
Daarom worden tegenwoordig terecht actieve didactische werkvormen toegepast; vooral jonge, onrustige naturen willen iets te doen hebben. Bovendien houd je het niet vol als docent, uur na uur, dag na dag, vóór de klas een performance op te voeren. Je raakt, zeker als je niet meer zo jong bent, vroeg of laat uitgeput.
Dit scenario lijkt erger dan het in de praktijk is. Jongeren zijn tegenwoordig bijdehand, helder, soms ook wijs en gevoelig, vaak ook onnozel en naïef, niet zo gewend vrijheid en verantwoordelijkheid te dragen en vertonen vaak alibi-gedrag. Maar het is altijd boeiend om met ze contact te hebben en samen te werken. Leerlingen op een bovenbouw van een Vrije School kunnen hiervan wel eens positief afwijken, zeker als ze van de onderbouw komen. Maar zelf heb ik daar geen ervaring mee.’
Hoe gaat het dan op een Vrije School toe? Er wordt veel minder met boeken gewerkt. De leerlingen krijgen iedere ochtend gedurende twee lesuren periode-onderwijs. Dat is onderwijs in één speciaal vak gedurende een aaneengesloten periode van drie weken. De leerlingen maken een eigen verslag van wat de docent in zo’n periode aan leerstof aanreikt. Waar dat mogelijk is, wordt de zelfwerkzaamheid net zo gestimuleerd als in het reguliere onderwijs. Sommige vakken zoals scheikunde lenen zich daar goed voor. Verder leren de leerlingen ook met hun handen te werken. Er worden vakken als tuinbouw en houtbewerken gegeven. Ook is er veel aandacht voor muziek.
Ook de leerlingen van een Vrije School gaan volop mee in de sms-cultuur, leven mee met het programma Idols en waar ze de kans krijgen jagen ze hun docenten overspannen de klas uit. Maar er wordt wel degelijk geprobeerd wijsheid aan hen over te dragen.
Ook hecht men op een Vrije School waarde aan traditionele kennis. Als voorbeeld kan de wiskunde dienen. De docenten wis- en natuurkunde van een Vrije School zijn allerminst te spreken over de moderne onderwijsmethoden op dit gebied. Allemaal klagen zij erover dat de wiskunde de laatste jaren alleen maar is ‘opgeleukt.’ Aan de Rudolf Steinerschool in Haarlem is de overheersende mening:
‘In het huidige wiskunde-onderwijs gaat het steeds meer om het bedenken van leuke sommen. Moeilijke concepten zoals het differentiëren van een functie worden nauwelijks uitgelegd. Je kunt de afgeleide van een functie niet goed definiëren als je niet eerst hebt uitgelegd hoe je de limiet naar oneindig neemt. Het heeft de mensheid vanaf de oude Grieken tweeduizend jaar gekost om het limietbegrip te ontwikkelen. Maar het lijkt er nu op dat wij de leerlingen niet meer mogen vertellen wat grote geesten zoals Newton en Leibniz daarover te melden hebben. Want stel je voor dat zij het niet leuk vinden om zich in het begrip ‘oneindig’ te moeten verdiepen!’
Ook veel wiskunde-docenten uit het reguliere onderwijs zijn niet blij met de nieuwe ontwikkeling. Maar zij kunnen moeilijk individueel uit de pas gaan lopen ten opzichte van collega’s die wel enthousiast zijn. Zij moeten functioneren in een cultuur van veel te grote scholen met een strakke organisatie. Op een Vrije School blijkt dat veel leerlingen helemaal niet zitten te wachten op opgeleukt wiskunde-onderwijs. Ze ervaren de concepten en formules uit de wiskunde juist als spannend. Ze willen echt nieuwe dingen leren.
Bovendien krijgen ze bijzondere takken van de wiskunde aangeboden, zoals projectieve meetkunde, waarin perspectief een heel belangrijke rol speelt. De docenten kiezen er bewust voor niet met hun tijd mee te gaan:
‘Wij werken praktisch nooit met moderne leerboeken. Want ze zijn totaal ongeschikt voor de wijze waarop wij wiskunde doceren. Bij ons is er nog eerbied voor getal en vorm. We zien die creaties van de menselijke geest niet enkel als trucjes om op een handige wijze de materie naar je hand te zetten. Op docenten in het reguliere onderwijs komt dat wel eens als ouderwets over, maar je kunt een wetenschap die al zesduizend jaar bestaat niet van de ene dag op de andere in een heel ander jasje gieten. Je moet leerlingen de kans blijven geven met het geheim van de wiskunde in aanraking te komen, ieder op hun eigen niveau en ontwikkeling.’
Het ziet ernaar uit dat niet alleen wijsheid, maar ook kennis op een Vrije School beter gewaarborgd zijn. Natuurlijk hangt veel af van de schoolleiding en van de docent. Maar het gaat volgens de God van Walsh ook enkel om een werkbaar model. Het is jammer dat dit model niet veel ruimer wordt toegepast. God begrijpt in ieder geval niet waarom wij onze kinderen zo blijven plagen met al dat kale, prestatiegerichte onderwijs: ‘Waarom leren jullie je kinderen niet over beweging en muziek, vreugde en kunst, de geheimen in sprookjes en de wonderen van het leven? Waarom brengen jullie niet naar buiten wat natuurlijkerwijze te vinden is in het kind, eerder dan proberen er iets in te stoppen dat onnatuurlijk is voor het kind?’
Herbert van Erkelens