Weg met de Viagra-pillen in ons voedsel
Afvallen staat hoog op het lijstje van goede voornemens voor 2004. Maar hoe doe je dat? Vrijwel alle methoden zijn duur en werken slechts tijdelijk pondjes weg. Het enige middel dat werkt is heel simpel: opnieuw leren eten.
Aan ons eten worden inmiddels meer dan 700 stoffen toegevoegd, blijkt uit een inventarisatie door de Gezondheidsraad. Verreweg de meeste dienen om de verkoop te simuleren: nieuwe toevoegingen maken nieuwe producten mogelijk. En het moet gezegd: sommige toevoegingen brengen ook meer kwaliteit. Waren bederven minder snel, behouden langer hun smaak, blijven langer vers of worden er gewoon lekkerder door.
Sinds de jaren zeventig is de lijst met ‘additieven’ steeds langer geworden: middelen tegen kleven, aanbakken, klonteren, schuimen; anti-oxydanten, antibiotica, kleurstoffen, bindmiddelen, broodverbeteraars, bleekmiddelen, metaalionenbinders, conserveer-, verluchtings-, geleer-, verdikkings-, verdunnings- en suspendeermiddelen; deegverbeteraars, dragers, zuren, meng-, glans-, vul- en oplosmiddelen; vochtbinders, smeltzouten, smaakstoffen, meelverbeteraars; een reeks van enzymen en kunstmatige zoetstoffen.
Door een wijziging in de Warenwet werd tien jaar geleden ook de toevoeging van vitaminen en mineralen toegestaan. Die stoffen worden sindsdien dan ook op grote schaal toegevoegd. Aminozuur-mengsels bleven verboden, omdat nut en voordeel niet duidelijk waren.Maar vooral ook, omdat niet duidelijk was of extra hoeveelheden aminozuren gevaar opleveren voor de gezondheid. De Gezondheidsraad werd om een advies gevraagd.
Aminozuren zijn van vitaal belang voor ons lichaam. Ze stellen onder meer eiwitten in staat een reeks belangrijke stoffen aan te maken, zoals hormonen, antistoffen en enzymen. Ook zorgen ze ervoor, dat die stoffen hun werk optimaal kunnen verrichten.
Het lichaam van een volwassene bevat ongeveer twaalf kilo eiwit. Dagelijks wordt daarvan 250 tot 300 gram in de lichaamscellen opnieuw aangemaakt of getransporteerd. Toevoeging van aminozuren kan resulteren in een betere werking van de eiwitten. Althans, dat is de bedoeling.
Een gezond lichaam produceert verreweg de meeste (13) van de 22 bekende aminozuren zelf. Een tekort aan deze stoffen kan leiden tot ziekten aan stofwisselingsorganen als darm, lever en nieren. Een stuk of 9 krijgen we binnen via het eten van plantaardige en dierlijke vetten. Er is dus geen reden om extra aminozuren aan de voeding toe te voegen, zou je zeggen.
Maar nee, de laatste jaren is er ‘in de maatschappij een groeiende belangstelling voor aminozuursuppletie’, zegt de Gezondheidsraad. Bezoekers van sportscholen en fitness-centra, met name body-builders, menen dat extra aminozuren de spiermassa vergroten, atletische prestaties vergroten en herstelprocessen bespoedigen. Ook zijn er groepen met een grotere behoefte aan aminozuren, zoals zuigelingen, operatiepatiënten en mensen met een stofwisselingsziekte.
Daarnaast is er in de algemene bevolking een groeiende vraag naar middelen die de vermoeidheid tegengaan of een positief effect hebben op de fysieke prestatie, de gemoedstoestand of het afweersysteem.
Dat aminozuur-mengsels inderdaad deze beoogde effecten hebben, is geenszins bewezen. Er is internationaal wel veel onderzoek, maar bewijzen heeft dat nog niet opgeleverd. Ook de vraag of extra aminozuren wel veilig zijn, kan niet worden beantwoord. Wel is er in de jaren tachtig in de VS onderzoek gedaan naar voedingssupplementen waarin hoge concentraties van het afzonderlijke aminozuur tryptofaan waren verwerkt. De uitkomst was schokkend: veel gebruikers van deze preparaten bleken te lijden aan ernstige spierziekten en huidafwijkingen. Tientallen patiënten waren overleden. De tryptofaanpreparaten waren veelvuldig gebruikt bij de behandeling van mensen met menstruatiepijnen, depressiviteit of slapeloosheid. In 1989 verbood het Amerikaanse voedsel- en geneesmiddelenbureau (FDA) de verkoop van deze preparaten. De handel in andere afzonderlijke aminozuren groeide evenwel spectaculair.
De Gezondheidsraad geeft toe dat het ‘niet mogelijk is veilige grenzen voor de inname van (mengsels van) aminozuren via voedingssupplementen vast te stellen.’ Uit voorzorg moet het toevoegen van aminozuurmengsels aan voedingsmiddelen volgens de raad dan ook worden ‘ontraden’. Maar omdat het in twee landen van de Europese Unie - Groot-Brittannië en België - wel mag en er in de overige EU-landen geen specifieke wetgeving is over het toevoegen van deze stoffen, valt een absoluut verbod in Nederland niet te handhaven zonder het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de EU te belemmeren, meent de raad.
Bovendien is zo’n verbod vanuit het oogpunt van volksgezondheid ‘waarschijnlijk moeilijk verdedigbaar’, omdat er, met uitzondering van tryptofaan, ‘voor zover bekend geen gezondheidsproblemen zijn gerapporteerd rond de toevoeging van aminozuren.’
In Nederland is toevoeging van enkele afzonderlijke aminozuren aan levensmiddelen sindsdien toegestaan. De zuren cysteïne (E920) en cystine (E921) worden bijvoorbeeld gebruikt als meelverbeteraar. Als smaakversterkers zijn onder meer glycine (E640, ook als schuimmiddel) en glutaminezuur (E620) toegestaan. Ook baby- en peutervoeding, afslankmiddelen, dieetvoeding, natrium-arme eet- en drinkwaren, voeding die is afgestemd op grote spierinspanning en voeding voor diabetici mogen onder voorwaarden afzonderlijke aminozuren bevatten. Opmerkelijk is, dat de ‘bovengrenzen’ die de Gezondheidsraad aangeeft waarbinnen extra hoeveelheden aminozuren veilig kunnen worden ingenomen, fors hoger liggen dan de norm die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft aangegeven.
Voorstanders van aminozuurtoevoeging wijzen erop, dat de voedingswaarde van een eiwit kan worden vergroot door er één of een paar aminozuren bij te stoppen. Zo is de voedingswaarde van tarwe als eiwitbron van nature beperkt door het ontbreken van het aminozuur lysine. Toevoeging ervan zou vooral van belang zijn voor ontwikkelingslanden, waar granen de belangrijkste eiwitbron vormen. Peulvruchten missen het aminozuur methionine. Door toevoeging van deze stof wordt de eiwit-kwaliteit van deze groenten verbeterd.
Voor welvarende landen geldt evenwel dat toevoeging van aminozuren geen voedingskundige betekenis heeft, aangezien deze zuren er al overvloedig worden ingenomen via de consumptie van bijvoorbeeld vlees. De eiwitten in vlees bevatten veel aminozuren die het lichaam niet zelf kan aanmaken; meer nog dan de meeste plantaardige producten. Vlees bevat echter ook veel verzadigde vetten en cholesterol. Vleeseters lopen daardoor meer kans op hart- en vaatziekten. Toevoeging van aminozuren zou hun een alternatief bieden; als ze tenminste minder vlees gaan eten.
Daar komt bij, dat aminozuren ook via (karne)melk, yoghurt, kaas en eieren het lichaam binnenkomen. Bovendien kan de eiwit-kwaliteit van brood simpel worden verhoogd door toevoeging van sojameel. Dat bevat immers eiwitten die even hoogwaardig zijn als die van vlees.
Hoe dan ook betekent toevoeging van aminozuur-mengsels een verdere verrijking van ons voedsel. Het beeld dringt zich op van een Viagra-pil in ons dagelijks voedsel. Als we een paar voedingskundigen bellen met de vraag of dit wel zo’n goede ontwikkeling is, gezien het steeds dikker worden van de bevolking, valt op hoe gefragmenteerd hun kennis over voeding is. Veelal komt men niet verder dan de vaststelling dat ‘ons voedsel nog nooit zo veilig is geweest als nu.’
Dat is echter maar de vraag. De voedingswetenschap draagt de laatste jaren zoveel nieuwe feiten over voedsel aan, dat niet meer is vast te stellen wanneer je gezond of ongezond eet. Oude wijsheden (‘Worteltjes zijn goed voor de ogen’, ‘Broccoli voorkomt kanker’, ‘Knoflook en wijn zijn goed voor hart en vaten’) blijken niet te kloppen of ‘onvoldoende aangetoond’. Een bericht dat onderzoek onder tienduizenden Amerikanen heeft uitgewezen dat het eten van volkorenbrood geen lagere kans op darmkanker geeft, wordt door de media aangegrepen om het ongelijk van eters van ‘vezelrijk voedsel’ aan te tonen. Meldt de ene nieuwe vondst dat het eten van chocola goed is omdat chocola een bron van anti-oxydanten zou zijn, het volgende onderzoekt weerlegt dit weer.
Het enige dat zeker is: gezond voedsel bestaat niet. In praktisch elk voedsel, hoe ‘natuurlijk’ ook, zitten zowel goede als slechte chemische verbindingen. Sommigen mogen we zelfs als giftig beschouwen. De hoeveelheden zijn echter zo gering, dat we er niet aan dood gaan.
Maar hoe moeten we dan wèl eten om gezond te blijven?
Uit de huidige chaos in de voedingskunde vallen enkele lessen voor de toekomst te leren:
. De voedingsleer moet overboord. Dat geldt ook voor de algemene voedingsadviezen. Mensen houden zich er toch niet aan. Ze eten over het algemeen alsof ze blindelings een auto besturen. Wie trek heeft, vraagt zich zelden af wat hij nodig heeft om zijn trek te stillen. Hij vertrouwt er maar op, dat overheid en voedselfabrikanten wel weten wat goed voor ons is. Maar die weten het ook niet meer.
. Elk type voedsel geeft zijn eigen chemische reacties.
We merken daar niets van, behalve als we iets hebben gegeten dat een allergische reactie teweeg brengt. Een reeks van voedingsstoffen beïnvloedt onze gemoedsstemming. Frontsoldaten krijgen altijd veel vlees voorgeschoteld, omdat vlees stoffen bevat die de agressie en vechtlust bevorderen. Kijk naar de hoofden van beroepsmilitairen: het zijn meestal vleeskoppen.
Bekend is ook het verband tussen het eten van pindakaas en een depressief gevoel. Chocola en koffie helpen tegen verdriet. Andere stoffen kunnen leiden tot hyperactief gedrag, geven energie of ontnemen je die juist. Van sommige kruiden is bekend dat ze een prikkelende werking hebben op de zenuwen. Nootmuskaat bevat een amfetamine die tot licht hallucineren kan leiden. Zeer giftig is nootmuskaat als je er te veel van eet.
Voedsel speelt een veel grotere rol in ons leven dan we beseffen. Het gevolg van die onwetendheid is, dat we die rol chronisch overschatten. Voedsel schijnt ook een grote rol te spelen bij de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Zelfs bepaalde karaktertrekken schijnen samen te hangen met het voedsel dat je eet. ‘Je bent wat je eet’, wordt wel eens gezegd.
. Eetpatronen zijn evolutionair bepaald en vanuit de cultuur aangeleerd.
De mens is een alleseter, maar hecht aan het eten van vlees groot belang. Vlees en seks hebben veel met elkaar te maken. Bij mensapen heeft het mannetje dat na de jacht het meeste vlees te verdelen heeft, ook het recht om als eerste te paren. Ook bij de mens schijnt dit verband tussen blees en paringskansen een rol te spelen. De zenuwuiteinden in de kond en die van de geslachtorganen lijken sterk op elkaar. De tv-weerman hoeft maar te vertellen dat het morgen goed barbecueweer is, of half Nederland zit een dag later inderdaad van dierenlijkjes te snoepen. Een als de supermarkt een ‘hutspotdag’ uitroept, dan gaat de consument op die voor hem bepaalde dag massaal aan de hutspot.
Willen we van deze evolutionaire en culturele erfenissen verlost worden, dan dienen we ons er eerst van bewust te worden.
. Het oude onderscheid tussen gezond en ongezond eten moet op de helling; het is achterhaald.
Zinvoller is het, alle beschikbare voedingsmiddelen voortaan in 3 categorieën onder te verdelen:
* een onderhoudend menu. Wie een overwegend zittend bestaan leidt zonder veel fysieke of geestelijke inspanning, heeft voldoende aan een menu waarmee het lijf wordt onderhouden. Te denken valt aan granen, groenten, peulvruchten, noten en zaden, kleine hoeveelheden melk, honing en natuurlijke, ongeraffineerde oliën. Inderdaad: een vegetarisch menu. Dat verschaft meer dan voldoende energie om een normale inspanning te kunnen verrichten. Bovendien belast het de spijsverteringsorganen, hart, vaten en lichaamscellen minder. Als een Bedoeïen op één dadel de hele dag in de woestijn kan doorbrengen, kunnen wij best toe met een menu zonder vlees.
* een stimulerend menu. Voedsel wordt in het Westen voor alles in verband gebracht met harde waarden als groei, kracht, vooruitgang; niet met zachte als schoonheid en vitaliteit. De risico’s waarmee ons voedsel is omgeven (BSE, dioxinen, zwaarlijvigheid, hart- en vaatziekten, kanker) kunnen aan dit adagium niets veranderen. Een gevolg is de voortdurende drang tot verrijking van voedingsmiddelen: eerst vitamines, dan mineralen, en nu aminozuren.
Erger nog is het teveel aan voedingsstoffen dat we op die manier binnenkrijgen. Kinderen lopen het meest gevaar. Jongeren van nu zijn door de bank genomen twee jaar eerder volgroeid dan in 1980; 18-jarigen met het lijf van een 25-jarige, dertigers met het lijf van een vijftiger. Operatieve verwijdering van vetweefsel is bij jongeren allang geen zeldzaamheid meer. In ons voorland Amerika nemen deze operaties intussen epidemische vormen aan.
Vers vlees, vis, gevogelte, maar ook veel suiker, vet en gekruid eten hebben een sterk stimulerend effect op organen. Hetzelfde geldt voor koffie, thee en alcohol. Stimulerende voedingsmiddelen zijn een belangrijke factor in het ontstaan van degeneratieve welvaartsziekten als hart- en vaakziekten, kanker en naar het zich laat aanzien ook dementie, Alzheimer en andere ziektes van jet zenuwstelsel. Niet-vegetariërs zijn doorgaans rusteloze mensen met een diep gevoel van onvrede.
* Voedingsmiddelen met kunstmatige toevoegingen als kleur-, smaak- en conserveringsmiddelen schijnen organen veel meer te belasten dan tot voor kort werd aangenomen.
Van elk van deze middelen wordt steeds weer gemeld dat ze onschadelijk zijn. Dat klopt, maar het gebruik van deze stoffen is zo sterk toegenomen, dat ze van de spijsverteringsorganen een inspanning vragen zonder at ze voor het lichaam voordeel hebben. In medische publicaties wordt de laatste tijd voorzichtig een verband gesuggereerd tussen het hoge niveau van deze stoffen in de voeding en klachten over vermoeidheid en lusteloosheid.
In feite moeten we helemaal opnieuw leren eten.
Jos Teunissen
Aan ons eten worden inmiddels meer dan 700 stoffen toegevoegd, blijkt uit een inventarisatie door de Gezondheidsraad. Verreweg de meeste dienen om de verkoop te simuleren: nieuwe toevoegingen maken nieuwe producten mogelijk. En het moet gezegd: sommige toevoegingen brengen ook meer kwaliteit. Waren bederven minder snel, behouden langer hun smaak, blijven langer vers of worden er gewoon lekkerder door.
Sinds de jaren zeventig is de lijst met ‘additieven’ steeds langer geworden: middelen tegen kleven, aanbakken, klonteren, schuimen; anti-oxydanten, antibiotica, kleurstoffen, bindmiddelen, broodverbeteraars, bleekmiddelen, metaalionenbinders, conserveer-, verluchtings-, geleer-, verdikkings-, verdunnings- en suspendeermiddelen; deegverbeteraars, dragers, zuren, meng-, glans-, vul- en oplosmiddelen; vochtbinders, smeltzouten, smaakstoffen, meelverbeteraars; een reeks van enzymen en kunstmatige zoetstoffen.
Door een wijziging in de Warenwet werd tien jaar geleden ook de toevoeging van vitaminen en mineralen toegestaan. Die stoffen worden sindsdien dan ook op grote schaal toegevoegd. Aminozuur-mengsels bleven verboden, omdat nut en voordeel niet duidelijk waren.Maar vooral ook, omdat niet duidelijk was of extra hoeveelheden aminozuren gevaar opleveren voor de gezondheid. De Gezondheidsraad werd om een advies gevraagd.
Aminozuren zijn van vitaal belang voor ons lichaam. Ze stellen onder meer eiwitten in staat een reeks belangrijke stoffen aan te maken, zoals hormonen, antistoffen en enzymen. Ook zorgen ze ervoor, dat die stoffen hun werk optimaal kunnen verrichten.
Het lichaam van een volwassene bevat ongeveer twaalf kilo eiwit. Dagelijks wordt daarvan 250 tot 300 gram in de lichaamscellen opnieuw aangemaakt of getransporteerd. Toevoeging van aminozuren kan resulteren in een betere werking van de eiwitten. Althans, dat is de bedoeling.
Een gezond lichaam produceert verreweg de meeste (13) van de 22 bekende aminozuren zelf. Een tekort aan deze stoffen kan leiden tot ziekten aan stofwisselingsorganen als darm, lever en nieren. Een stuk of 9 krijgen we binnen via het eten van plantaardige en dierlijke vetten. Er is dus geen reden om extra aminozuren aan de voeding toe te voegen, zou je zeggen.
Maar nee, de laatste jaren is er ‘in de maatschappij een groeiende belangstelling voor aminozuursuppletie’, zegt de Gezondheidsraad. Bezoekers van sportscholen en fitness-centra, met name body-builders, menen dat extra aminozuren de spiermassa vergroten, atletische prestaties vergroten en herstelprocessen bespoedigen. Ook zijn er groepen met een grotere behoefte aan aminozuren, zoals zuigelingen, operatiepatiënten en mensen met een stofwisselingsziekte.
Daarnaast is er in de algemene bevolking een groeiende vraag naar middelen die de vermoeidheid tegengaan of een positief effect hebben op de fysieke prestatie, de gemoedstoestand of het afweersysteem.
Dat aminozuur-mengsels inderdaad deze beoogde effecten hebben, is geenszins bewezen. Er is internationaal wel veel onderzoek, maar bewijzen heeft dat nog niet opgeleverd. Ook de vraag of extra aminozuren wel veilig zijn, kan niet worden beantwoord. Wel is er in de jaren tachtig in de VS onderzoek gedaan naar voedingssupplementen waarin hoge concentraties van het afzonderlijke aminozuur tryptofaan waren verwerkt. De uitkomst was schokkend: veel gebruikers van deze preparaten bleken te lijden aan ernstige spierziekten en huidafwijkingen. Tientallen patiënten waren overleden. De tryptofaanpreparaten waren veelvuldig gebruikt bij de behandeling van mensen met menstruatiepijnen, depressiviteit of slapeloosheid. In 1989 verbood het Amerikaanse voedsel- en geneesmiddelenbureau (FDA) de verkoop van deze preparaten. De handel in andere afzonderlijke aminozuren groeide evenwel spectaculair.
De Gezondheidsraad geeft toe dat het ‘niet mogelijk is veilige grenzen voor de inname van (mengsels van) aminozuren via voedingssupplementen vast te stellen.’ Uit voorzorg moet het toevoegen van aminozuurmengsels aan voedingsmiddelen volgens de raad dan ook worden ‘ontraden’. Maar omdat het in twee landen van de Europese Unie - Groot-Brittannië en België - wel mag en er in de overige EU-landen geen specifieke wetgeving is over het toevoegen van deze stoffen, valt een absoluut verbod in Nederland niet te handhaven zonder het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de EU te belemmeren, meent de raad.
Bovendien is zo’n verbod vanuit het oogpunt van volksgezondheid ‘waarschijnlijk moeilijk verdedigbaar’, omdat er, met uitzondering van tryptofaan, ‘voor zover bekend geen gezondheidsproblemen zijn gerapporteerd rond de toevoeging van aminozuren.’
In Nederland is toevoeging van enkele afzonderlijke aminozuren aan levensmiddelen sindsdien toegestaan. De zuren cysteïne (E920) en cystine (E921) worden bijvoorbeeld gebruikt als meelverbeteraar. Als smaakversterkers zijn onder meer glycine (E640, ook als schuimmiddel) en glutaminezuur (E620) toegestaan. Ook baby- en peutervoeding, afslankmiddelen, dieetvoeding, natrium-arme eet- en drinkwaren, voeding die is afgestemd op grote spierinspanning en voeding voor diabetici mogen onder voorwaarden afzonderlijke aminozuren bevatten. Opmerkelijk is, dat de ‘bovengrenzen’ die de Gezondheidsraad aangeeft waarbinnen extra hoeveelheden aminozuren veilig kunnen worden ingenomen, fors hoger liggen dan de norm die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft aangegeven.
Voorstanders van aminozuurtoevoeging wijzen erop, dat de voedingswaarde van een eiwit kan worden vergroot door er één of een paar aminozuren bij te stoppen. Zo is de voedingswaarde van tarwe als eiwitbron van nature beperkt door het ontbreken van het aminozuur lysine. Toevoeging ervan zou vooral van belang zijn voor ontwikkelingslanden, waar granen de belangrijkste eiwitbron vormen. Peulvruchten missen het aminozuur methionine. Door toevoeging van deze stof wordt de eiwit-kwaliteit van deze groenten verbeterd.
Voor welvarende landen geldt evenwel dat toevoeging van aminozuren geen voedingskundige betekenis heeft, aangezien deze zuren er al overvloedig worden ingenomen via de consumptie van bijvoorbeeld vlees. De eiwitten in vlees bevatten veel aminozuren die het lichaam niet zelf kan aanmaken; meer nog dan de meeste plantaardige producten. Vlees bevat echter ook veel verzadigde vetten en cholesterol. Vleeseters lopen daardoor meer kans op hart- en vaatziekten. Toevoeging van aminozuren zou hun een alternatief bieden; als ze tenminste minder vlees gaan eten.
Daar komt bij, dat aminozuren ook via (karne)melk, yoghurt, kaas en eieren het lichaam binnenkomen. Bovendien kan de eiwit-kwaliteit van brood simpel worden verhoogd door toevoeging van sojameel. Dat bevat immers eiwitten die even hoogwaardig zijn als die van vlees.
Hoe dan ook betekent toevoeging van aminozuur-mengsels een verdere verrijking van ons voedsel. Het beeld dringt zich op van een Viagra-pil in ons dagelijks voedsel. Als we een paar voedingskundigen bellen met de vraag of dit wel zo’n goede ontwikkeling is, gezien het steeds dikker worden van de bevolking, valt op hoe gefragmenteerd hun kennis over voeding is. Veelal komt men niet verder dan de vaststelling dat ‘ons voedsel nog nooit zo veilig is geweest als nu.’
Dat is echter maar de vraag. De voedingswetenschap draagt de laatste jaren zoveel nieuwe feiten over voedsel aan, dat niet meer is vast te stellen wanneer je gezond of ongezond eet. Oude wijsheden (‘Worteltjes zijn goed voor de ogen’, ‘Broccoli voorkomt kanker’, ‘Knoflook en wijn zijn goed voor hart en vaten’) blijken niet te kloppen of ‘onvoldoende aangetoond’. Een bericht dat onderzoek onder tienduizenden Amerikanen heeft uitgewezen dat het eten van volkorenbrood geen lagere kans op darmkanker geeft, wordt door de media aangegrepen om het ongelijk van eters van ‘vezelrijk voedsel’ aan te tonen. Meldt de ene nieuwe vondst dat het eten van chocola goed is omdat chocola een bron van anti-oxydanten zou zijn, het volgende onderzoekt weerlegt dit weer.
Het enige dat zeker is: gezond voedsel bestaat niet. In praktisch elk voedsel, hoe ‘natuurlijk’ ook, zitten zowel goede als slechte chemische verbindingen. Sommigen mogen we zelfs als giftig beschouwen. De hoeveelheden zijn echter zo gering, dat we er niet aan dood gaan.
Maar hoe moeten we dan wèl eten om gezond te blijven?
Uit de huidige chaos in de voedingskunde vallen enkele lessen voor de toekomst te leren:
. De voedingsleer moet overboord. Dat geldt ook voor de algemene voedingsadviezen. Mensen houden zich er toch niet aan. Ze eten over het algemeen alsof ze blindelings een auto besturen. Wie trek heeft, vraagt zich zelden af wat hij nodig heeft om zijn trek te stillen. Hij vertrouwt er maar op, dat overheid en voedselfabrikanten wel weten wat goed voor ons is. Maar die weten het ook niet meer.
. Elk type voedsel geeft zijn eigen chemische reacties.
We merken daar niets van, behalve als we iets hebben gegeten dat een allergische reactie teweeg brengt. Een reeks van voedingsstoffen beïnvloedt onze gemoedsstemming. Frontsoldaten krijgen altijd veel vlees voorgeschoteld, omdat vlees stoffen bevat die de agressie en vechtlust bevorderen. Kijk naar de hoofden van beroepsmilitairen: het zijn meestal vleeskoppen.
Bekend is ook het verband tussen het eten van pindakaas en een depressief gevoel. Chocola en koffie helpen tegen verdriet. Andere stoffen kunnen leiden tot hyperactief gedrag, geven energie of ontnemen je die juist. Van sommige kruiden is bekend dat ze een prikkelende werking hebben op de zenuwen. Nootmuskaat bevat een amfetamine die tot licht hallucineren kan leiden. Zeer giftig is nootmuskaat als je er te veel van eet.
Voedsel speelt een veel grotere rol in ons leven dan we beseffen. Het gevolg van die onwetendheid is, dat we die rol chronisch overschatten. Voedsel schijnt ook een grote rol te spelen bij de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Zelfs bepaalde karaktertrekken schijnen samen te hangen met het voedsel dat je eet. ‘Je bent wat je eet’, wordt wel eens gezegd.
. Eetpatronen zijn evolutionair bepaald en vanuit de cultuur aangeleerd.
De mens is een alleseter, maar hecht aan het eten van vlees groot belang. Vlees en seks hebben veel met elkaar te maken. Bij mensapen heeft het mannetje dat na de jacht het meeste vlees te verdelen heeft, ook het recht om als eerste te paren. Ook bij de mens schijnt dit verband tussen blees en paringskansen een rol te spelen. De zenuwuiteinden in de kond en die van de geslachtorganen lijken sterk op elkaar. De tv-weerman hoeft maar te vertellen dat het morgen goed barbecueweer is, of half Nederland zit een dag later inderdaad van dierenlijkjes te snoepen. Een als de supermarkt een ‘hutspotdag’ uitroept, dan gaat de consument op die voor hem bepaalde dag massaal aan de hutspot.
Willen we van deze evolutionaire en culturele erfenissen verlost worden, dan dienen we ons er eerst van bewust te worden.
. Het oude onderscheid tussen gezond en ongezond eten moet op de helling; het is achterhaald.
Zinvoller is het, alle beschikbare voedingsmiddelen voortaan in 3 categorieën onder te verdelen:
* een onderhoudend menu. Wie een overwegend zittend bestaan leidt zonder veel fysieke of geestelijke inspanning, heeft voldoende aan een menu waarmee het lijf wordt onderhouden. Te denken valt aan granen, groenten, peulvruchten, noten en zaden, kleine hoeveelheden melk, honing en natuurlijke, ongeraffineerde oliën. Inderdaad: een vegetarisch menu. Dat verschaft meer dan voldoende energie om een normale inspanning te kunnen verrichten. Bovendien belast het de spijsverteringsorganen, hart, vaten en lichaamscellen minder. Als een Bedoeïen op één dadel de hele dag in de woestijn kan doorbrengen, kunnen wij best toe met een menu zonder vlees.
* een stimulerend menu. Voedsel wordt in het Westen voor alles in verband gebracht met harde waarden als groei, kracht, vooruitgang; niet met zachte als schoonheid en vitaliteit. De risico’s waarmee ons voedsel is omgeven (BSE, dioxinen, zwaarlijvigheid, hart- en vaatziekten, kanker) kunnen aan dit adagium niets veranderen. Een gevolg is de voortdurende drang tot verrijking van voedingsmiddelen: eerst vitamines, dan mineralen, en nu aminozuren.
Erger nog is het teveel aan voedingsstoffen dat we op die manier binnenkrijgen. Kinderen lopen het meest gevaar. Jongeren van nu zijn door de bank genomen twee jaar eerder volgroeid dan in 1980; 18-jarigen met het lijf van een 25-jarige, dertigers met het lijf van een vijftiger. Operatieve verwijdering van vetweefsel is bij jongeren allang geen zeldzaamheid meer. In ons voorland Amerika nemen deze operaties intussen epidemische vormen aan.
Vers vlees, vis, gevogelte, maar ook veel suiker, vet en gekruid eten hebben een sterk stimulerend effect op organen. Hetzelfde geldt voor koffie, thee en alcohol. Stimulerende voedingsmiddelen zijn een belangrijke factor in het ontstaan van degeneratieve welvaartsziekten als hart- en vaakziekten, kanker en naar het zich laat aanzien ook dementie, Alzheimer en andere ziektes van jet zenuwstelsel. Niet-vegetariërs zijn doorgaans rusteloze mensen met een diep gevoel van onvrede.
* Voedingsmiddelen met kunstmatige toevoegingen als kleur-, smaak- en conserveringsmiddelen schijnen organen veel meer te belasten dan tot voor kort werd aangenomen.
Van elk van deze middelen wordt steeds weer gemeld dat ze onschadelijk zijn. Dat klopt, maar het gebruik van deze stoffen is zo sterk toegenomen, dat ze van de spijsverteringsorganen een inspanning vragen zonder at ze voor het lichaam voordeel hebben. In medische publicaties wordt de laatste tijd voorzichtig een verband gesuggereerd tussen het hoge niveau van deze stoffen in de voeding en klachten over vermoeidheid en lusteloosheid.
In feite moeten we helemaal opnieuw leren eten.
Jos Teunissen