Geloof in meer brengt geen oplossingen

Nederland is gezakt op de wereldranglijst van meest concurrerende economieën. Dat is niets om ongerust over te zijn. Integendeel, meent filososoof G. van der Wal. De competitie-samenleving is dringend aan vervanging toe.

‘De economie draait grotendeels op voorwaarden van niet-economische aard. Die zijn geleidelijk opgebouwd: vertrouwen, humane omgangsvormen, sociale structuren, een goed functionerend rechts- en opvoedingssysteem. De dominantie van de economie werkt eroderend op deze voorwaarden.’ Aldus de Rotterdamse emeritus-hoogleraar wijsbegeerte G. van der Wal. We zijn, zegt hij, in Nederland bezig ‘de tak door te zagen waar we op zitten.’
 
Uit angst op achterstand te raken, conformeren velen zich aan deze ontwikkeling. Het gevolg is, dat alles competitie is geworden. Ook worden de sociale kosten genegeerd, terwijl die kosten juist ‘gigantisch’ zijn. Nergens ter wereld zitten zoveel mensen achter de tralies als in het land met de krachtigste economie: de Verenigde Staten. Maar ook in Nederland wordt competitie steeds openlijker op de samenleving losgelaten. Sport is oorlog geworden. Op de arbeidsmarkt probeert iedereen elkaar voor te blijven. De criminaliteitscijfers zijn ongekend hoog. Overal in de Westerse wereld lopen mensen te mopperen over stress, over de snelheid waarin hun leven zich moet voltrekken, over het gevoel ‘opgebrand’ te zijn, over doorgeschoten individualisme, normvervaging en consumptiedwang. Psychische (depressies!) en sociale problemen zijn epidemisch geworden. Tweeverdienende ouders die alles tegelijk moeten doen en geen tijd meer hebben de dingen na elkaar te doen. In het land dat zich de laatste jaren koploper qua concurrentiekracht mag noemen, Finland, nemen bij alle economische voorspoed verschijnselen als zelfdoding, drankmisbruik en criminaliteit sprongsgewijs toe.
De oorzaak van deze problemen, zegt Van der Wal, ligt in ‘het feit dat we met z’n allen zijn gaan geloven dat als we maar meer materiële rijkdom scheppen, we daar ook beter van worden. Steeds meer mensen zetten daar vraagtekens bij. Ze zien dat deze ontwikkeling schaduwcircuits vormt.’
 
Van der Wal houdt zich in zijn wetenschappelijke werk vooral bezig met het zoeken naar achtergronden en samenhang van actuele gebeurtenissen. De voorzichtige hoera-stemming die over de Amerikaanse economie te horen is – met de verwachting van meer groei in Europa -  drijft volgens hem op naïef gelegenheidsoptimisme. De problemen van onze samenleving worden wel erkend, maar  -  zo wordt geredeneerd  -  straks hebben we dankzij nieuwe economische groei het geld om ze op te lossen. Milieu-sparende investeringen, meer wegen, meer onderwijs, dat wordt straks bij economisch herstel allemaal mogelijk.
Van der Wal: ‘Niemand lijkt in te zien dat als mensen steeds meer gaan verdienen, ze ook meer gaan reizen en consumeren. De reis- en toeristenindustrie gaan voorbij aan de alsmaar stijgende uitstoot van broeikasgassen. Nederland heeft zich op klimaatconferenties vastgelegd op de norm dat de uitstoot van kooldioxide, het voornaamste broeikasgas, in 2010 7 procent minder moet zijn dan in 1990. Maar nu al staat vast dat we die uitstoot niet eens stabiel kunnen houden en er ver overheen zullen schieten. Het vrachtverkeer zal tot 2010 met 200 procent groeien.’
Het hardnekkig volgehouden geloof in ‘meer geld’ is geen oplossing, zegt Van der Wal.
 
Toch hoor je iedereen al jaren beweren dat er meer geld naar onderwijs en gezondheidszorg moet. Speelt hier de aloude denkfout een rol dat ‘als de economie problemen geeft, gooi er dan meer economie tegenaan’?
Van der Wal: ‘Ja. Zoals men problemen voortkomend uit nieuwe technologie alleen via ‘meer technologie’ denkt te kunnen oplossen. Het is constant meer van hetzelfde, zonder te kijken naar de oorzaak van die problemen. Geld kan de oplossing niet zijn. Het werkelijke probleem is van een heel andere aard dan geldgebrek. In het onderwijs is jarenlang ‘fuseren’ het credo geweest. Scholen moesten opgaan in grotere verbanden. De overzichtelijkheid is weg. De mammoetscholen die zijn gecreëerd, kennen weinig teamsfeer meer. Leerkrachten trekken zich terug in hun eigen tokootje en denken: ze doen maar. De motivatie is zoek. Met de verkeerde oplossing  -  meer geld -  blijf je in hetzelfde kringetje ronddraaien. Alsof je probeert de duivel met Beëlzebub te verdrijven.’
 
Tegen deze logica in zijn de meeste Nederlanders echter ‘druk, druk, druk’ in de weer om alle nieuwe trends in hun leven te integreren. Meer dan de helft van de bevolking heeft in recordtijd een mobieltje aangeschaft.
Van der Wal: ‘Ja, het is het eeuwige naäpen: wat de buurman heeft, moet ik ook. Maar veel mensen doen alleen aan de buitenkant mee, zonder zich met deze trend te identificeren. Of men ook innerlijk meedoet, uit eigen vrije wil, is voor mij twijfelachtig. Het zou ook niet de eerste keer in de geschiedenis zijn, dat een trend doorschiet terwijl onderhuids de tegendraadse beweging allang bezig is.’
 
Van der Wal zou in Nederland graag een discussie op gang gebracht zien over ‘echte welvaart’. De tijd is er rijp voor, denkt hij, omdat ‘steeds meer mensen ongerust zijn over de kwaliteit van het onderwijs en de zorg; sectoren waar heel andere waarden in het geding zijn dan competitie en geldzucht. Het gaat er eerder om vertrouwen, loyaliteit, vriendschap. Maar daarmee komen ze in de knel, omdat ze met deze waarden niet kunnen meedoen aan de competitie-samenleving. Toch drijven onze instituties voor een belangrijk deel op deze niet-economische factoren. Economen die daar op wijzen, worden afgeschilderd als zonderlinge figuren die marginaal bezig zijn of aan somberheid lijden. Maar zo gaat het in de wetenschap vaak: de echte vernieuwers worden eerst niet erkend.’
 
       
Simone Goudzwaard