Obama of McCain, wat maakt het uit
Zoals te verwachten viel, zijn de Amerikaanse presidentsverkiezingen ook dit keer weer uitgedraaid op een commercieel mediafestijn: het grote geld (Obama had voor zijn campagne 639 miljoen dollar tot zijn beschikking) en beeldvorming zijn bepalend voor de uitslag. Het verschil met vorige verkiezingen is niet alleen dat deze negatieve tendens steeds sterker wordt, maar ook dat dit keer ook media uit Europa er volop aan meedoen. Tv-ploegen uit onder andere Nederland geven miljoenen uit en sturen hele tv-ploegen naar de VS om ‘the race’ op de voet te volgen. Vooruitlopend op Obama’s zege worden her en der in Nederland Obama victory evenings en -breakfasts georganiseerd.
En dat, terwijl er weinig interessants over de verkiezingsstrijd te melden valt. Wetende dat zo’n 40% (!) van de kiezers zich op enigerlei wijze ‘independent’ (zwevende kiezer) noemt, kijken Obama en McCain wel uit zich een duidelijk en nauwkeurig politiek profiel aan te meten. Duidelijkheid zou de een in het nadeel kunnen brengen ten opzichte van de ander en hem dus lelijk kunnen opbreken. Obama beperkt zich dan ook wijselijk tot het gebruik van goed in het gehoor liggende one-liners die zijn opgebouwd rondom de woorden ‘change’, ‘hope’ en ‘God’. Werkelijk in politiek geïnteresseerde mensen zouden erbij gaan geeuwen, maar veel Amerikanen kunnen er geen genoeg van krijgen. Potsierlijk doet het echter wel aan. Nog nooit zijn in een Amerikaanse verkiezingscampagne de ideologische marges, als daarvan tenminste nog sprake is, zo smal geweest als nu.
Waar Nederlandse commentatoren hun voorkeur voor Obama op baseren, blijft een raadsel. Veel zijn we over zijn standpunten niet te weten gekomen, behalve dat hij voor de doodstraf is. Natuurlijk is het leuk dat nu eindelijk een niet-blanke het hoogste politieke ambt in de VS kan gaan bekleden, ruim 40 jaar nadat het zwarte bevolkingsdeel burgerrechten kreeg. In dat opzicht zijn de huidige verkiezingen inderdaad van historische betekenis. Maar natuurlijk zou huidskleur in het geheel geen rol mogen spelen.
Obama wordt geacht een socialere politiek te zullen voeren dan McCain, maar concrete plannen op dit gebied à la Clintons aankondiging van een grootscheepse herstructurering van de gezondheidszorg hebben we van hem niet vernomen. Hij heeft wel beloofd dat iedere Amerikaan die minder dan 250.000 dollar verdient erop vooruit zal gaan als hij president wordt, maar waar is dat goed voor? De Amerikanen moeten juist massaal minder in plaats van meer gaan consumeren. Tot veel change zal de verkiezing van Obama op dit punt dus wel niet leiden.
Laten we ook niet vergeten dat McCain meer kan bogen op de status van ‘reformer’ dan Obama. De Vietnam-held wordt door het establishment van zijn eigen Republikeinse partij beschouwd als een ongeleid projectiel, zelfs als een oproerkraaier. Hij heeft naam gemaakt met zijn oorlog tegen de tabaksindustrie, die nota bene de Republikeinse partij in het verleden met miljoenen dollars heeft gesteund. Hij probeerde daadwerkelijk de invloed van het grote geld in verkiezingscampagnes, waarvan dit keer juist Obama profiteert, uit te bannen door bij de verkiezingen van 2000 voor het eerst het onderwerp ‘campagnefinanciering’ tot thema te maken.
Het verschil tussen Obama en McCain betreft vooral hun uiterlijk en exposure en daardoor zal de veel jongere en beter ogende Obama het inderdaad wel gaan winnen.
Er valt te weinig te kiezen
Naast de inhoudloosheid en het ontbreken van een echte politieke discussie valt het ondemocratische karakter van de Amerikaanse mediacratie op. Gemiddeld komt amper de helft van de Amerikaanse kiesgerechtigden naar de stembus als er een nieuwe president moet worden gekozen. Bij een vrijwel gelijk opgaan van de strijd zal de nieuwe president dus slechts door iets meer dan een kwart van de bevolking worden gekozen.
Daarnaast is het bespottelijk dat zoveel politieke macht, inclusief een vetorecht waarmee hij tegen een democratisch door het Congres genomen besluit kan ingaan, wordt geconcentreerd in één persoon, die niet eens door de meerderheid van de Amerikanen is gekozen.
Bovendien kunnen de Amerikanen slechts kiezen tussen twee kandidaten, en dat in een land waarvan de inwoners gewend zijn voortdurend heel veel keuzes te kunnen maken. Is het een wonder dat veel Amerikaanse burgers cynisch, zelfs apathisch zijn over hun politieke bestel, bij verkiezingen liever thuis blijven en zich verwonderen over zoveel belangstelling voor hun verkiezingen vanuit Europa?
Bij een werkelijke democratie passen meer dan twee partijen, maar een derde Amerikaanse politieke partij lijkt niet echt in zicht. Het wordt hoog tijd dat in de VS hierover een discussie op gang komt.
Jos Teunissen