Waardering voor Partij voor de Dieren groeit
Voor elke duif een truitje?
De Partij voor de Dieren ontwikkelt zich tot een politieke factor van betekenis. De waardering voor de partij groeit. Maar ridiculisering en demonisering blijven op de loer liggen. De historica Christine Teunissen maakt de balans op van 4 jaar politieke strijd voor de bevrijding van het dier.
Sinds 2002 kent Nederland de Partij voor de Dieren, een nieuwe politieke formatie die strijdt voor de emancipatie van het dier. De acceptatie van de partij verliep de afgelopen jaren niet zonder slag of stoot. Het hoofdthema, het opkomen voor dierenrechten en dierenwelzijn, maakte de PvdD vanaf het begin nieuw en omstreden. Voordat sprake kan zijn van een bredere acceptatie van een radicale verandering in de omgang met dieren, dienen de ideeën van de partij een breder maatschappelijk en politiek draagvlak te krijgen. Ligt die acceptatie in het vooruitzicht?
De media zijn hierbij een belangrijke indicator. De beeldvorming van de Partij voor de Dieren in de media zegt iets over de publieke opinie. Bovendien zijn de media een belangrijk middel om de publieke opinie te beïnvloeden. Daarom is het van belang te weten welk beeld er van de Partij voor de Dieren in de media bestaat.
Vertegenwoordigers van de Partij voor de Dieren zelf de indruk hadden dat zij de volgende fasen moesten doorlopen voordat hun ideeën een bredere maatschappelijke en politieke acceptatie zouden krijgen: ‘First they ignore you, then they ridicule you, then they fight you, and then… then you win!’ De bewering dat de Partij voor de Dieren op dit moment dezelfde fasen doormaakt als eerdere emancipatiebewegingen, zoals de beweging van de abolitionisten tegen de afschaffing van de slavernij en de vrouwenrechtenbeweging, is een politiek statement dat het morele gelijk van de partij suggereert. Toch is het nuttig om aan de hand van de beeldvorming over de Partij voor de Dieren in de media te zien of de partij inmiddels een aantal fasen van erkenning heeft doorgemaakt. Hoe is er tussen 2002 en 2008 over de PvdD geschreven?
Activistische one-issue beweging
‘Milieu is uit, dieren zijn in. Het milieu is gedegradeerd tot een staatssecretaris, speelde geen enkele rol in de verkiezingscampagne. Maar de Dierenpartij had anderhalve week geleden bijna een zetel gehaald, met bijna vijftigduizend stemmen, meer dan Leefbaar Nederland.’ Dit commentaar in de Volkskrant is typerend voor de manier waarop landelijke kranten de Partij voor de Dieren in 2003 duidden als succesvolle nieuwkomer. Dat de partij bijna een zetel behaalde, wekte aanvankelijk verbazing. Volgens de media was de opkomst van de partij een signaal van een groeiende dierenliefde onder Nederlandse burgers in tegenstelling tot onverschilligheid ten aanzien van dierenwelzijn in de politiek. Dat de burger ‘warm liep’ voor dieren, werd gezien als een hype waarvan de partij onderdeel van uitmaakte en handig op in speelde.
Het beeld dat van de Partij voor de Dieren in de media naar voren kwam, was dat van een ludieke actie, een initiatief voortgekomen uit het dierenactivisme uit onvrede over het beleid van het kabinet Balkenende I ten aanzien van dierenwelzijn. De achterban bestond grotendeels uit dierenbeschermers, ‘vleesverlaters’ of vegetariërs en leden van natuur-, milieuorganisaties, een beperkt kiezerspotentieel dus. In een periode waarin de moord op Pim Fortuyn in 2002 door dierenactivist Volkert van der G. nog vers in het geheugen lag, werd de de Partij voor de Dieren soms beschouwd als een initiatief afkomstig uit dezelfde kringen. Zo schreef Martin Sommer op sceptische toon in De Volkskrant: ‘Marianne Thieme van de Dierenpartij is direct afkomstig van de links-militante stichting Bont voor Dieren. Volkert van der G., verdacht van de moord op Pim Fortuyn, komt uit diezelfde hoek.’
Ook al gaf Thieme in enkele interviews aan dat het de Partij voor de Dieren gaat om een ‘beschavingsoffensief’ en dat de manier waarop mensen omgaan met dieren iets zegt over de samenleving, de partij kwam toch vooral over als een eenzijdige ‘one-issue partij’ of ‘themapartij’.
In de media komt tevens naar voren dat binnen de Partij voor de Dieren zelf wordt gedacht dat zij door de media belachelijk wordt gemaakt. Zo staat in de Volkskrant dat Marianne Thieme het net niet behalen van een zetel onder andere toeschreef aan ‘dat de PvdD een clubje ‘geitenwollensokkenactivisten’ was. En zo zei Marianne Thieme volgens Sommer: “Er wordt wel lacherig gedaan, voor elke duif een truitje. Maar ik spreek van een emancipatiebeweging voor de dieren, na de slaven en de vrouwen'. Een interview met Marianne Thieme in de Telegraaf over de Europese verkiezingen in 2004 begon met “Nee, het is niet noodzakelijk dat je op 10 juni de hamster, parkiet of herdershond meeneemt naar het stembureau voor de Europese verkiezingen, zodat hij zelf een hokje aan kan kruisen.'
Tijdens de campagne voor de Europese verkiezingen in 2004 stonden dierenrechten en dierenwelzijn marginaal in de aandacht. De kranten brachten op cynische toon het nieuws dat de PvdD kans maakte op een zetel. In Trouw spotte columnist Sylvian Ephimenco nadat de partij bijna een zetel behaalde in het Europees parlement: ‘Weer een belangrijke maatschappelijke ontwikkeling gemist’. Hij noemde de partij een ‘fopspeen voor verveelde en decadente intellectuelen’. In NRCHandelsblad schreef S. Montag over plannen van Nederlandse dieren tot het stichten van een stad waar alleen mensen wonen die op de Partij voor de Dieren hebben gestemd. Volgens Vrij Nederland zou de partij vooral ‘fun-kiezers’ aantrekken, mensen die een statement wilden maken tegen het Europees parlement. Het Agrarisch Dagblad was een uitzondering, met een interview met Marianne Thieme over de positie van de partij ten aanzien van de Europese landbouw.
Een politieke factor van betekenis
Tijdens de verkiezingscampagne in 2006 kreeg de Partij voor de Dieren beduidend meer aanzien dan voorheen. Van een burgerlijke hype en een initiatief binnen een kleine groep dierenactivisten, werd de PvdD een politieke factor van betekenis die een thema vertegenwoordigde dat aan de orde was in het maatschappelijke en politieke debat. Eind 2002 schreven de kranten nog dat het onderwerp dierenwelzijn niet leefde in de politiek. Tijdens de campagne van 2006 bleken andere politieke partijen het thema plotseling belangrijk te vinden. Een aantal media erkende dat de interesse voortkwam uit de opkomst van de PvdD. Zo blijkt uit de veelzeggende koppen in Trouw: “Alle partijen hebben het over dierenwelzijn” , De Telegraaf: 'Dierenvrienden tót verkiezingen” en 'De gevestigde partijen doen hun best om duidelijk te maken dat liefde voor het dier bij hen net zo belangrijk is als bij de PvdD.’
De media legden de nadruk op aspecten die als nieuw en omstreden werden beschouwd. Zo domineerde in De Telegraaf en De Volkskrant in de berichtgeving over het net uitgebrachte verkiezingsprogramma van de Partij voor de Dieren het verbod op hengelen. Dit standpunt was enerzijds aanleiding voor columnisten om de partij belachelijk te maken en kritiek te leveren op wat zij beschouwden als een ‘eenzijdige one-issue partij’. Anderzijds werd op een prikkelende manier duidelijk gemaakt waar de Partij voor de Dieren voor stond: opkomen voor àlle dieren. De Volkskrant: ‘Het eenduidige thema van het dierenwelzijn is allicht het tweede geheim van de PvdD: dicht bij huis, vatbaar en ieders eigen verantwoordelijkheid.’ Het commentaar in het Agrarisch Dagblad was dat de Partij voor de Dieren zich als enige Dierenpartij profileerde en daardoor stemmen wegtrok bij GroenLinks en SP.
Een ander aandachtspunt was het succes van de verkiezingscampagne. Dat werd vooral toegeschreven aan de financiering van de campagne door de ‘weldoener’, zakenman en klamboeproducent Nicholaas G. Pierson. De steun van een rijke sponsor droeg bij aan de zelfverzekerdheid die de PvdD aan de dag legde.
Andere aansprekende factoren waren de naam van de partij en one-liners die werden gebruikt tijdens de campagne. Zo trokken ‘De PvdD is een emancipatiebeweging in navolging van de strijd van weleer tegen onderdrukking van slaven, vrouwen en kinderen’ en de termen ‘beschavingsoffensief’, ‘Nederland gidsland’, ‘Wereldprimeur’ en ‘Wij tegen de rest!’ veel aandacht. Ze werden in zowel positieve als sceptische berichtgeving opgenomen.
Daarnaast zorgde de naam voor sprekende krantenkoppen als ‘Dierenpartij’ en ‘Politieke Dieren.’ De leuzen droegen een non-conformistische houding uit, wat bijdroeg aan het imago van een nieuwe en omstreden partij.
Wereldprimeur
In tegenstelling tot de overwegend positieve berichtgeving tijdens de campagne, becommentarieerden de media het nieuws dat de Partij voor de Dieren met twee zetels in het Nederlandse parlement was gekozen meer terughoudend. De Volkskrant benadrukte als enige krant dat het ging om een wereldprimeur; de strekking van het artikel was dat het succes van de PvdD niet zo verrassend was, aangezien de Nederlandse politiek geen kiesdrempel kende, zij veel stemmen kregen uit protest tegen de gevestigde orde, er twintig bekende Nederlanders op de lijst stonden en werd geholpen door een royale geldschieter.
Vervolgens kreeg de partij de nodige kritiek. De omslag in de teneur kwam mogelijk voort uit de snelle realisatie van twee zetels, waarmee de Partij voor de Dieren, zij het een bescheiden, factor van betekenis was geworden die door sommigen niet was verwacht. Volgens hoogleraar A. Kinneging in het Reformatorisch dagblad was de verkiezingsoverwinning een teken van verregaande decadentie. Het verheffen van dierenwelzijn tot voornaamste politieke prioriteit zou een teken zijn van grote lichtzinnigheid. Vanaf het moment dat de Partij voor de Dieren de Tweede Kamer betrad, uitte De Telegraaf voornamelijk kritiek. Het zou ‘kwalijk’ zijn dat bekende Nederlanders een ‘overbodige’ partij hadden gesteund die ‘eenzijdig’ opkomt voor dierenwelzijn. Het welzijn van dieren was een belangrijke zaak, maar andere partijen zouden er al genoeg aandacht aan besteden. Het ontbrak de partij aan een afgerond kader om over andere onderwerpen te spreken en te stemmen, aldus De Telegraaf.
Trouw daarentegen typeerde Marianne Thieme als een ‘vastberaden tweevoeter’, die ondanks alle kritiek met een ‘wij tegen de rest’-mentaliteit de politieke arena betrad. De NRC uitte eveneens waardering voor de vastberadenheid van Marianne Thieme en voor haar autonome houding in de politiek. Zij zou zich niet in dezelfde lijn opstellen als een traditionele linkse of rechtse partij.
Het debuut
Na de Kamerverkiezingen van 2006 ging de aandacht van de media aanvankelijk uit naar de effectiviteit van het optreden van de PvdD in de Tweede Kamer. Een centrale boodschap in de beschouwingen was dat het de partij lukte om dierenwelzijn hoger op de politieke agenda te krijgen. Het viel op dat dierenwelzijn het debat domineerde tijdens de behandeling van de Landbouwbegroting. De houding van Marianne Thieme en Esther Ouwehand was vooral een ‘aanjager’ te willen zijn door andere partijen continu te wijzen op het belang van dierenwelzijn. Ze wilden de bewustwording van het belang van dierenwelzijn onder Kamerleden op gang brengen en directe maatregelen bewerkstelligen. Hun spreektijd vulden zij met uiten van misstanden in de omgang met dieren en zij dienden Kamervragen en moties in die eveneens misstanden aan het licht brachten. Als over andere onderwerpen gestemd moest worden, handelden zij vanuit de waarden mededogen, duurzaamheid en persoonlijke verantwoordelijkheid en niet vanuit traditioneel rechts of links gedachtegoed.
Buiten de dagelijkse politiek initieerde de Partij voor de Dieren protestacties om misstanden aan te kaarten en de stellingname tegen dierenleed te benadrukken. Zo bedacht de partij een protestactie tegen het bontje dat minister Van der Hoeven droeg op de dag van haar beëdiging, en tegen het voorzitterschap van voormalig CDA-minister van Landbouw Veerman voor de Vereniging voor Natuur Monumenten.
Deze manier van politiek voeren riep in de media de nodige discussie op en werd op verschillende manieren geïnterpreteerd. Zo ontstond in de Volkskrant een discussie door kritiek van historica Amanda Kluveld op de politieke stijl. De partij zou zich diskwalificeren als serieuze speler in de politiek door een zelfverklaarde superioriteit. Dit pronken met morele superioriteit geeft volgens Kluveld blijk van een ongenuanceerd wereldbeeld - goed tegen kwaad - en een simplistische voorstelling van de politiek.
Historica Maartje Janse ging in verweer tegen Kluveld door de expressieve stijl van de PvdD te verdedigen. In haar reactie op Kluveld drong zij erop aan deze stijl – een absolute stellingname – serieus te nemen. Mensen die publiekelijk hun verontwaardiging uiten over dierenleed in een beschaafde samenleving, zichzelf als morele voorhoede presenteren en spot pareren met het argument van morele superioriteit, zo schreef Janse, dagen het politieke establishment uit. Dit zou volgens haar grote bijval kunnen krijgen, net als is gebeurd met vergelijkbare bewegingen in de 19-de eeuw die zich verzetten tegen bepaalde misstanden.
Andere commentaren over de expressieve stijl waren beduidend minder positief. Zo sloot Hans den Hartog in de NRC aan bij de opvatting van Kluveld dat het morele superioriteitgevoel van de partij het wint van de rationele argumentatie. De partij zou inhoudelijke discussie blijven reduceren tot emotionele oprispingen, weigeren grenzen te stellen, het monopolie op de stem van dieren opeisen en zich een morele superioriteit toeëigenen die in het verleden tot bedenkelijke en soms zelfs gevaarlijke situaties heeft geleid, aldus den Hartog.
Volgens het Agrarisch Dagblad diende de PvdD zich meer te conformeren naar de gevestigde politiek, wilde zij effectief blijven. De acties en grote hoeveelheid moties van de Partij voor de Dieren zouden toenemende ergernis wekken bij andere fracties. Ook zou de relatieve eenzijdigheid van de partij irritatie oproepen. ‘Het signaal aan de PvdD is dus duidelijk: oppassen met al die snelle acties en niet alle dierenpubliciteit opeisen.’
De Telegraaf kon geen waardering opbrengen voor de actieve stijl en ging niet in op inhoudelijke discussies. In de protestacties zag zij het bewijs dat de partij na drie maanden in het parlement ‘al een groot vat vol demagogie’ was en deed de acties af als ‘overdreven stampei’. De partij zou zich manifesteren als een protestbeweging ‘waarvan er in die sector al voldoende actief zijn die helemaal niets in de Kamer te zoeken hebben. De geschiedenis leert verder dat splinterpartijen met slechts een ideologisch thema, zoals deze Partij voor de Dieren, niet lang bestaan.’ De Telegraaf stelde de PvdD de Dieren tevens in een kwaad daglicht door commentaar te leveren op de signalering van Sjoerd van der Wouw, voormalig collega van Volkert van der G., in het Tweede Kamergebouw als hulp van Marianne Thieme bij de behandeling van de landbouwbegroting.
Ook de argumentatie van de partij kreeg kritiek. In het Reformatorisch Dagblad maakte prof. dr. W.J. op ’t Hof zich zorgen over doorgeschoten dierenliefde bij de PvdD, omdat het gevaar zou dreigen dat de belangen van het dier boven van die van de mens worden gesteld. In het Agrarisch Dagblad deed hoogleraar Lex Cools de redenering van de Partij voor de Dieren achter de afschaffing van de teenknip af als ‘ezelachtig gedrag’.
Daarnaast werd het politieke optreden ook positief gewaardeerd, met name in de NRC en De Volkskrant. De waardering richtte zich met name op de effectiviteit van de PvdD voor wat betreft het plaatsen van dierenwelzijn op de politieke agenda. Opvallend is dat de successen van de partij vooral worden gerelateerd aan het optreden van Marianne Thieme. In een beschouwing laat de NRC zien dat Marianne Thieme ‘kordaat’ strijdt voor rechten voor dieren. Boeren zouden haar ideeën naïef en onrealistisch vinden. Ook het CDA heeft weinig op met de partij en in de kringen van boerenorganisatie LTO heerst ‘scepsis’ over de nieuwe partij, vooral door de nauwe banden met Wakker Dier. Maar daar staat toenemende erkenning van de Partij voor de Dieren tegenover, aldus de NRC. Zo werd Marianne Thieme door het blad Boerderij gerekend tot de ‘allerbelangrijkste mensen’ voor de economische en maatschappelijke positie van boeren. ‘Haar medestanders zeggen dat de opkomst van de Partij voor de Dieren een sociale beweging tekent die niet te stuiten is.’
De Volkskrant berichtte dat sinds de intrede van de Partij voor de Dieren er al meer bereikt is dan in 15 jaar daarvoor. ‘Vriend en vijand schrijven het toe aan een vrouw: Marianne Thieme (34), oprichter, woordvoerder, lijsttrekker en nu fractievoorzitter van de Partij voor de Dieren.’ Verder wordt de principiële houding van Marianne Thieme geprezen en aangewezen als succesfactor tijdens de verkiezingen.
Twijfelachtige motieven
Vanaf het moment dat de Partij voor de Dieren in maart 2007 doordrong tot Provinciale Staten verschoof de focus van de media naar aspecten die de partij in diskrediet dreigden te brengen.
Kort na de Statenverkiezingen verscheen in de NRC een achtergrondartikel over de Partij voor de Dieren waarin bekend werd dat de belangrijkste sponsor van de Partij voor de Dieren, ondernemer Nicholaas G. Pierson, nauw samenwerkte met het chemieconcern Bayer, dat bij de ontwikkeling van geneesmiddelen gebruik maakte van dierproeven. De klamboes die Pierson verhandelde, zouden geïmpregneerd zijn met chemicaliën die getest waren op dieren.
Vervolgens verscheen in de NRC het bericht ‘Financier van dierenpartij betrokken bij dierproeven’, waarin werd benadrukt dat de Partij voor de Dieren een fel tegenstander is van dierproeven. In de Telegraaf verscheen het bericht dat de Partij voor de Dieren in opspraak was door de banden van Pierson met een chemicaliënbedrijf dat gebruik maakt van proefdieren. De aantijgingen kregen echter geen vervolg.
Na de geringe ophef over Pierson werd het lidmaatschap van Marianne Thieme van de zevendedagadventisten in de media breed uitgemeten. Dat twee lijstduwers openlijk hun kritiek uitten en dat het zevendedagadventisme mogelijk invloed zou hebben op Thiemes betrokkenheid bij de partij en haar optreden in de Tweede Kamer, had de hoogste publiciteitswaarde.
De kritiek wakkerde aan door artikelen van godsdienstfilosoof Taede Smedes en schrijver en voormalig lijstduwer van de Partij voor de Dieren Maarten ’t Hart. Smedes gaf kritiek op een artikel in de NRC waarin stond dat Marianne Thieme een passage over de evolutietheorie uit het verkiezingsprogramma zou hebben geschrapt. Thieme zou hiermee ‘zagen aan de poten van haar eigen partij’. ’t Hart reageerde naar aanleiding van een interview met Marianne Thieme in De Telegraaf. In het interview werd Marianne Thieme gevraagd hoe zij het beschermen van dieren kon rijmen met de bijbel, ‘een boek dat druipt van het bloed; de wreed geslachte lammetjes vallen zowat van de pagina’s af’. Ze antwoordde dat daar wel wat nuancering in past. Dat volgens het bijbelverhaal Adam en Eva in de ideaalsituatie alleen vegetarisch voedsel aten en de bijbelschrijver Jesaja optekent: “Wat moet ik met al jullie offers? Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer.”
’t Hart maakte uit haar antwoord op dat Marianne Thieme veronderstelde dat Adam en Eva in het paradijs vegetariërs waren en pas na de zondeval vlees waren gaan eten. Het ventileren van dergelijke uitspraken in de media zou de partij veel schade berokkenen. Volgens ’t Hart houden zevendedagadventisten er lugubere opvattingen op na. Marianne Thieme en beoogd senator Niko Koffeman, tevens lid van de zevendedagadventisten, zouden daarom niet in staat zijn een partij te leiden of zich in te zetten voor de bestrijding van de bio-industrie.
In de NRC bood Marianne Thieme verweer tegen de aanvallen van Smedes en Maarten ’t Hart, met het belangrijkste argument dat zij haar geloof zag als een privéopvatting die los staat van de partij waarin zij gelooft en waarvan zij partijleider is.
Ook in De Volkskrant sloeg de discussie aan. Zowel Maarten ’t Hart als Rudy Kousbroek uitte de kritiek dat zij de geloofsopvattingen van Marianne Thieme schadelijk vonden voor het imago van de partij.
Het Reformatorisch Dagblad steunde Marianne Thieme vanwege de aanvallen van ‘atheïsten en seculiere media’ op haar overtuiging. Trouw stelde zich meer op aan de kant van de PvdD; er verscheen een opinieartikel van Marianne Thieme waarin zij zich verweert tegen de kritiek van Maarten ’t Hart. De Telegraaf deed de kritiek over het geloof van Marianne Thieme uit de doeken met een uitgebreid artikel over het conflict tussen lijstduwers en een lijsttrekker die ‘koketteert met haar geloof’. In een redactioneel commentaar onder de titel ‘Ratten’ typeerde de krant de partij als volgt:
‘Nadat bleek dat Volkert van der Graaf de moordenaar van Pim Fortuyn was, hield men zich in de kringen der polderlandse dierenactivisten enkele jaren behoorlijk gedeisd. (…) Maar ja, het ging zoals het altijd gaat: na verloop van tijd kwamen de ratten toch weer uit hun holen, met als opvallendste resultaat de opkomst van een heel merkwaardige, heel krankzinnige en ook heel enge politieke groepering: de Partij voor de Dieren van Marianne Thieme.’
Naar aanleiding van de discussie over het zevendedagadventisme werd ook in andere kranten de activistische achtergrond van de PvdD in een negatief daglicht gesteld. In het Reformatorisch Dagblad verscheen een column van Jan van Klinken waarin de ‘activistische wortels’ van de partij nog eens uitgebreid werden belicht. Volgens het Agrarisch Dagblad was de manier waarop de PvdD omgaat met gewelddadig dieractivisme een grotere bedreiging voor de eenheid van de partij dan het zevendedagadventisme van haar leider. Marianne Thieme zou een aantal gewelddadige acties niet hebben willen benoemen als terrorisme.
Hier werd het oude stereotype ‘uit dezelfde hoek als Volkert van der G.’ weer aangegrepen, dat eerder in de kranten naar voren kwam bij de verkiezingsdeelname in 2003, om de discussie over de geloofwaardigheid van de Partij voor de Dieren een vervolg te geven. Dit gebeurde niet, vermoedelijk omdat dit al een bestaand element was in de beeldvorming van de partij.
Elsevier gaf vooral kritiek op het feit dat Maarten ’t Hart, Rudy Kousbroek en Paul Cliteur zich met de Partij voor de Dieren hadden ingelaten: ‘Het blijft een raadsel dat zodra het om praktische politiek gaat, intellectuelen hun verstand uitschakelen.’
Irritaties
In zekere zin had de publiciteit rond het zevendedagadventisme ook een positieve uitwerking: het maakte de partij interessanter voor buitenstaanders en droeg mogelijk bij aan de brede interesse van media voor het aantreden van Niko Koffeman, als senator van de PvdD in april 2007. De interesse in achtergronden en carrière en de openheid van Koffeman waarmee hij interviewvragen beantwoordde, leidden er mogelijk toe dat het wantrouwen dat was ontstaan door de hetze over de religieuze achtergronden afnam. De ophef over het zevendedagadventisme beïnvloedde wel de manier waarop naar Koffeman werd gekeken. Veelzeggend is de kop boven een achtergrondreportage over hem in Vrij Nederland: ‘God van de dierenpartij’.
Typerend voor de bittere nasmaak is ook dat de artikelen in NRC en Vrij Nederland eindigden met de negatieve opvattingen van Maarten ’t Hart over het zevendedagadventisme. In de interviewvragen in De Telegraaf kwamen alle stereotype beelden van de Partij voor de Dieren naar voren: ‘afkeer van het CDA-beleid zit diep’, ‘een deel van de [publieke] weerstand heeft te maken met het imago van dierenactivisten’, ‘decadente partij’, ‘ zevendedagadventisten’. Niko Koffeman kwam over het algemeen in de media naar voren als een gedreven dieren-, natuur-, en milieubeschermer met een verleden als actievoerder, als de bedenker van de Partij voor de Dieren en de slimme campagne-strateeg van de SP. In het Agrarisch Dagblad was men vooral benieuwd naar zijn houding ten aanzien van het landbouwbeleid.
Vanaf juli 2007 viel de Partij voor de Dieren op doordat zij verhoudingsgewijs veel moties en Kamervragen indiende. De volgende fragmenten uit Elsevier geven een aardig beeld van de kritiek én waardering die Marianne Thieme en Esther Ouwehand kregen door optreden in de Kamer:
‘De aandacht voor dierenwelzijn is het afgelopen jaar flink toegenomen. Niet in de laatste plaats in het parlement, waar nieuwkomer Partij voor de Dieren op luide toon en met een stortvloed aan schriftelijke vragen de aandacht opeist. (…) Nergens anders maakt een partij gericht op dierenwelzijn deel uit van het parlement. Thieme draagt het concept inmiddels in het zeer geïnteresseerde buitenland uit. Binnenslands is de aandacht niet minder. (…) Resultaat boeken in de Kamer blijkt de achilleshiel van de PvdD. (…) Een ander wapenfeit is de groeiende irritatie die de partij oproept. In de Kamer, maar ook daarbuiten, waar zelfs wordt geopperd dat de partij een karikatuur van zichzelf dreigt de worden.’
In het commentaar komt duidelijk het imago van de PvdD naar voren als een partij die de rol van actievoerder combineert met die van politieke partij. Vooral de werkwijze in de Tweede Kamer stond in de media ter discussie. Tot eind 2007 bleef de aandacht met name gericht op de vele Kamervragen uit de hoek van de PvdD. Geleidelijk kwam hier steeds meer kritiek op. In De Volkskrant, Elsevier, het Agrarisch Dagblad en het Reformatorisch Dagblad kwam de partij steeds meer over als een ludieke actiepartij zonder structurele aanpak. Typerend is dit fragment uit het artikel ‘Geen dag in het parlement zonder dierenleed’ in de Volkskrant:
‘De Partij voor de Dieren zit een jaar in het parlement. Resultaat: 205 Kamervragen en 140 moties. Over varkenstransporten, circusdieren, stress bij vissen. ‘De minister gaat weer niet in op onze vragen hè?’
Over het algemeen riep de werkwijze van de Partij voor de Dieren in de bovenstaande media afkeuring op. Vaak klinkt het commentaar is dat zij de nodige irritatie veroorzaakt bij andere fracties. De PvdD zou daardoor potentiële bondgenoten tot tegenstanders maken en weinig concrete resultaten boeken, wat niet ten goede zou komen aan het welzijn van dieren.
Er is daarentegen ook waardering voor het werk van de Partij voor de Dieren. Opvallend is de vele aandacht die Trouw gaf aan de werkwijze van de partij in het parlement. Het is tevens de krant die het effect van de vele Kamervragen het meest positief belichtte: ‘Door razendsnel optreden in het parlementaire bedrijf hebben ze afgedwongen dat er nu meer dan ooit debatten zijn over varkensleed, bio-industrie of de jacht.’
Meat the truth
In december 2007 ging de film ‘ Meat the truth’ van het wetenschappelijk bureau van de Partij voor de Dieren, de Nicholaas G. Pierson Foundation (NGPF), in première. De film gaat over de bijdrage van de mondiale veehouderij aan de uitstoot van broeikasgassen. De hoofdstelling van de film is dat de veehouderij wereldwijd 18 procent van de broeikasgassen uitstoot en daarmee een grotere bijdrage levert aan klimaatverandering dan verkeer en vervoer (13 procent). In dezelfde stijl van de klimaatfilm ‘An inconvenient truth’ van Al Gore, trad Marianne Thieme op als presentator van de cijfers en meningen van deskundigen die de stelling verdedigden.
De reacties die de film kreeg van de media waren tweeërlei. Enerzijds was er sprake van een licht sceptische toon tegenover het verband dat Marianne Thieme legde tussen het mondiale klimaatprobleem en de intensieve veehouderij. Zij zou handig inspelen op de ‘klimaathype’ om mensen te overtuigen dat de intensieve veehouderij niet deugt en dat men minder vlees moet gaan eten, ‘een nieuwe stok om de veehouderij mee te slaan.’ Dit is vooral de teneur in het Agrarisch Dagblad en Vrij Nederland.
Anderzijds werd in de NRC, Trouw en het Agrarisch Dagblad inhoudelijk gediscussieerd over het waarheidsgehalte van de film. Enkele artikelen onderstreepten dat de cijfers en feiten over de gevolgen van veehouderij voor het klimaat juist waren. Critici stelden dat de twee sectoren veehouderij en verkeer en vervoer niet met elkaar te vergelijken zouden zijn. Ook zou ‘Meat the truth’ de feiten ‘verdraaien’. Op verzoek van het CDA werd de film op waarheidsgehalte onderzocht aan de Universiteit Wageningen. Het rapport onderstreepte de hoofdconclusie van de film dat de veehouderij inderdaad bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Dit leidde tot discussie in de NRC over de weging van de feiten en cijfers.
‘Meat the truth’ werd dus als controversieel ontvangen en had daardoor een hoge nieuwswaarde. Dat het verband werd gelegd tussen de veehouderij en klimaatverandering was nieuw en discutabel, evenals het feit dat het de Partij voor de Dieren was die dit verband legde. Het serieuze gehalte van de film was in strijd met het meer ‘ludieke’ imago dat tot stand kwam in de Tweede Kamer. ‘Meat the truth’ droeg bij aan het serieuze imago van de partij. Er werd door sommige media verontwaardigd gereageerd, omdat de aanpak van het klimaatprobleem niet paste in het beeld dat men van de Partij voor de Dieren had. De film bereikte de doelstelling van bewustmaken en informeren; zij maakte een discussie los over de bijdrage van de veehouderij aan de opwarming van de aarde.
Het verbieden van de ronde vissenkom
Bij het debat van de Nota Dierenwelzijn op 14 februari 2008 beperkte de PvdD haar bijdrage tot enkele zinnen en probeerde zij in de resterende tijd 60 moties in te dienen uit protest tegen de inhoud van deze nota. Naar haar oordeel bleef de regering daarin veel te afwachtend als het gaat om het daadwerkelijk verbeteren van de positie van dieren in Nederland.
Veel media pikten het voorstel voor een verbod op de goudvissenkom uit de reeks moties. Op twee manieren werd op de goudvissenkommotie gereageerd. Volgens enkele kranten en columnisten bevestigde de motie de onzinnigheid van een Partij voor de Dieren in het parlement. Zo berichtte De Telegraaf dat Thieme en Ouwehand zich ‘volstrekt belachelijk’ maakten. NRCHandelsblad vond de houding van Thieme en Ouwehand ‘ondemocratisch en schept verwarring. Des te langer wachten varkens, kippen, nertsen, paarden en kalveren op een beter leven.’ Michael van Eekeren schreef in Trouw dat de Partij voor de Dieren in het parlement een teken is dat de samenleving door en door is vervrouwelijkt. ‘Vrouwelijke kernwaarden als ‘gevoel’, ‘mededogen’ en ‘idealisme’ zijn dominant geworden in de politiek-maatschappelijke werkelijkheid.’ Dit zou de politiek, waar rationaliteit en realisme zouden moeten heersen, niet ten goede komen.
Anderzijds brachten de vele moties discussie op gang over de effectiviteit van de PvdD. Over het algemeen was er erkenning voor het feit dat dierenwelzijn veel hoger op de politieke agenda is gekomen. Waardering was er ook voor de ‘neus voor publiciteit’. Er bleef kritiek op de effectiviteit van het optreden van de Partij voor de Dieren tot eind 2008. De teneur leek eind 2008 in sommige kranten te verschuiven naar een meer positieve kijk op het optreden. Zo schreef de NRC: ‘Ondanks het geringe aantal aangenomen moties heeft de Partij voor de Dieren in de afgelopen twee jaar succes geboekt in de Kamer.’
Conclusie
De Partij voor de Dieren heeft de afgelopen jaren geprobeerd een breder politiek en maatschappelijk draagvlak te creëren voor een andere omgang met dieren, natuur en milieu. Dit heeft tot drie soorten reacties geleid. Ten eerste is er de ridiculiserende benadering: de media creëren het beeld van een niet serieus te nemen ludieke actiepartij, een beeld dat vooral overheerste bij de opkomst van de partij. Columnisten als Ephimenco en Montag droegen het meest uitgesproken bij aan dit imago, maar ook de manier waarop de Partij voor de Dieren vanaf het begin werd getypeerd: als een initiatief vanuit het dieractivisme met een beperkte achterban, die voornamelijk bestond uit ‘vleesverlaters’ en mensen die actief zijn bij dieren- en natuurbeschermingsorganisaties. Ook de manier waarop redactionele commentaren werden aangekleed, met koppen zoals ‘Partij voor de Dieren wil verbod op hengelen’, droeg bij aan het stereotype van een niet serieus te nemen actiepartij. Bij dit beeld past een aantal stereotyperingen: ‘one-issue partij’, ‘hilarische voorstellen’, ‘dierenliefhebsters’, ‘dierenaanbidders’, ‘doorgeschoten dierenliefde’, ‘hype’, ‘fopspeen voor decadente intellectuelen’, ‘overbodige luxe’. Elke actie van de Partij voor de Dieren die bij dit beeld aansloot, zoals het indienen van een stroom moties, waaronder de goudvissenkommotie, was voor sommige kranten aanleiding het beeld van een ludieke actiepartij te bevestigen. Opvallend is dat citaten van Marianne Thieme zelf in interviews van 2003 en 2004 bevestigden dat er een ‘voor elke duif een truitje’-beeld van de Partij voor de Dieren in de media bestond.
Ten tweede is er sprake van een demoniserende benadering. Deze benadering overlapt soms de ridiculiserende benadering, maar onderscheidt zich door de serieuze toon. Het meest uitgesproken beeld is dat van een politieke partij met twijfelachtige motieven en wortels in het radicale actiewezen. De PvdD zou volgens deze benadering ‘eenzijdig’ en ‘overbodig’ zijn, voortkomen uit ‘dezelfde hoek als Volkert van der G.’, ‘moreel superioriteitsgevoel’, ‘toppunt van decadentie’ ‘Zevendedagsadventisten’, er ‘lugubere opvattingen’ en ‘gewelddadig dierenactivisme’ op na houden, een ‘enge groepering’ zijn en zich schuldig maken aan ‘demagogie’. Deze toon werd voornamelijk ingezet vanaf het moment dat de PvdD de Tweede Kamer betrad en was het meest overheersend rond de berichtgeving over het lidmaatschap van Marianne Thieme van de zevendedagadventisten.
Ten slotte is er sprake van een serieuze benadering, waarbij de eigen stijl van de Partij voor de Dieren, met nadruk op de uitdagende en expressieve stijl, meer beschouwend en serieus wordt bekritiseerd en gewaardeerd. Deze trend zette zich in na de verkiezingsoverwinning in 2006. De media erkennen de partij als de vertegenwoordiger van een thema dat volgens de publieke opinie van belang was. Deze erkenning leidt tot inhoudelijke discussies en serieuze beschouwingen over de achtergronden, de absolute stellingname op morele gronden - wat door vertegenwoordigers van de PvdD ‘expressieve politiek’ wordt genoemd - en de belangrijkste personen. Hierbij passen stereotyperingen als ‘aanjager’, ‘actiepartij’, ’wij tegen de rest!’, ‘uitdaging van het politieke establishment’, ‘vatbaar’, ‘kordaat’, ’emancipatiebeweging’ en ‘beschavingsoffensief’.
Binnen deze benadering is ruimte voor kritiek, die zich uit in inhoudelijke discussies in plaats van in scepsis en hilariteit. In De Telegraaf zijn de ridiculiserende en demoniserende benaderingen nog steeds dominant. De commentaren, de onderwerpkeuze en de interviewvragen zijn vrijwel continu voorzien van een cynische ondertoon. Vrijwel elke gebeurtenis wordt aangegrepen om de partij in diskrediet te brengen en negatieve stereotypen te bevestigen. Er is in De Telegraaf bovendien geen aandacht voor inhoudelijke discussie.
De Volkskrant, NRCHandelsblad en Trouw zijn het meest gebalanceerd in hun berichtgeving en bieden ruimte voor zowel scepsis als inhoudelijke discussie over de PvdD. Opvallend is dat De Volkskrant de meeste aandacht besteedt aan de opkomst van de Partij voor de Dieren en NRCHandelsblad dat pas na de verkiezingsoverwinning in 2006 doet. De NRC combineert beide benaderingen. Zij bracht de partij in diskrediet door een publicatie over de betrokkenheid van de sponsor van de partij bij dierproeven en de uitlatingen van ’t Hart over het lidmaatschap van Marianne Thieme van de Zevendedagadventisten. Deze krant biedt ruimte voor inhoudelijke discussie over ‘Meat the truth’ en benadrukt expliciet het succes van de Partij voor de Dieren in het parlement aan het eind van 2008.
Trouw publiceert weliswaar de meest negatieve columns over de Partij voor de Dieren (van columnist Ephimenco), maar is tegelijkertijd het meest positief over de expressieve stijl van de PvdD in de Tweede kamer. Ook geeft deze krant de meeste aandacht aan het achterliggende beschavingsideaal van de Partij voor de Dieren en heeft zij de meeste waardering en aandacht voor de ethische uitgangspunten en de ‘Wij tegen de rest!’-houding van de partij.
Het Agrarisch Dagblad besteedt vooral aandacht aan inhoudelijke aspecten van de Partij voor de Dieren. Het blad is kritisch wanneer het de houding van de partij ten aanzien van de boeren en de omvorming van de landbouw betreft. De partij krijgt veel kritiek maar deze wordt ondersteund door inhoudelijke visies, feiten en cijfers.
Het Reformatorisch Dagblad is kritisch ten aanzien van het politieke optreden van de partij en haar gedachtegoed ten aanzien van ethische kwesties. De krant stelt zich hierin conservatief op en besteedt aandacht aan inhoudelijke discussies.
In Opzij komt Marianne Thieme uitsluitend positief naar voren als een strijdbare en invloedrijke vrouw. Vrij Nederland is over het algemeen sceptisch. Opvallend is ook dat Elsevier, evenals de kwaliteitskranten, balanceert tussen beide benaderingen. Het blad kan waardering opbrengen voor de resultaten die de Partij voor de Dieren behaalt, maar maakt tevens karikaturen van de partij.
Concluderend kan ik stellen dat de waardering voor de Partij voor de Dieren over het algemeen een stijgende lijn vertoont, als men de mate van serieus discussiëren over het concept en de werkwijze van de partij tenminste als uitgangspunt neemt. Anderzijds blijven ridiculisering en demonisering op de loer liggen.
Christine Teunissen
Christine Teunissen is historica.