Jezelf ontplooien, maar ook beperken

De steeds meer commercieel-totalitair wordende Westerse samenlevingen van het begin van de 21-ste eeuw rest nog slechts één manier om vooruit te komen: zelfbeperking. Volgens Gandhi is de mens daartoe wel degelijk in staat. Hij heeft zelf het bewijs geleverd.

In zijn biografie over Mahatma Gandhi beschrijft de Indiase hoogleraar Eknath Easwaran enkele ‘raadselachtige, vruchtbare wendingen’ in het leven van een verlegen, schuw, middelmatig, onzeker, bang jongmens. Gekweld door zijn mislukkingen en gebrek aan uitzicht accepteert de ‘advocaat zonder zaak’, zoals de jonge rechtsgeleerde in Bombay spottend wordt genoemd, na bemiddeling door zijn broer  een baantje bij een islamitische firma in Zuid-Afrika. Zonder dit buitenkansje zouden we vermoedelijk nooit van Gandhi hebben gehoord.
Telkens als hij in zijn jeugd zijn mislukkingen ontvluchtte, leek het alsof steeds dezelfde situatie voor hem opdoemde, in nog dreigender afmetingen. In Zuid-Afrika ging het aanvankelijk niet anders. Hij hield er rekening mee met dezelfde teleurstelling naar huis te zullen terugkeren.
Toen echter besloot hij tot een andere aanpak. Als een verandering van omgeving niets uithaalde, waarom zou hij dan zichzelf niet veranderen? Volgens Easwaran, die hem nog in levende lijve heef meegemaakt, was dat niet iets wat Gandhi beredeneerde. ‘Het was iets wat hij zo intens voelde, dat hij meteen tot daden overging.’
Gandhi heeft volgens Easwaran het geheim van het succes gevonden zonder zich er op dat moment van bewust te zijn. Hij begon elk probleem te beschouwen als een gelegenheid om zich dienstbaar te maken, ‘een uitdaging die telkens sterke appelleerde aan de vindingrijkheid van zijn verstand en verbeeldingskracht.’ Door op te houden persoonlijk gewin en prestige na te jagen, bleek hij ‘het vertrouwen en zelfs de liefde van zowel Indiase als blanke Zuid-Afrikanen te hebben gewonnen.’ Terugblikkend op zijn leven noemde Gandhi zijn verblijf in Zuid-Afrika een blijk van ‘genade’. Hij meende dat de fysieke gebeurtenissen in dat land zich ontvouwden volgens een ‘diepe innerlijke noodzaak’ waarvan hij zelf geen besef had toen hij er deel van uitmaakte.

Voor Gandhi werd de menselijke geest steeds meer de eenheid om de verhoudingen tussen de mensen te meten. De ontwikkeling naar ‘waarheid’ (bij Gandhi te verstaan als gerechtigheid) vereist  een geestkracht die in ieder mens aanwezig is, zij het slapend. Die kracht kan alleen door zelftraining en ethische disciplinering worden opgewekt. Ook op politiek gebied zou gerechtigheid dan dichterbij komen. Als het Westen zich zou vereenzelvigen met de noodlijdenden in de eigen maatschappij en in het Zuiden, ook wat levensstandaard betreft, zou uiteindelijk dienstbaarheid in de plaats komen van de tot op vandaag voortdurende exploitatie van elkaar. Volgens Gandhi is religie daarbij slechts beperkt bruikbaar. Alle religieuze tradities  die strijdig zijn met de menselijkheid, zeker als het gaat om fundamentalisme dat geworteld is in nationalisme, wijst hij af. Dat geldt zeker voor religie die niet in praktijk wordt gebracht.
Hij protesteert tegen een ongebreidelde vermenigvuldiging van behoeften en stelt daar zijn soberheid in kleding, voedsel en pretenties tegenover. De ‘onverbeterlijke sleutelaar’, zoals de Amerikaanse politicoloog Michael Nagler Gandhi omschrijft, bleef tot op de dag van zijn overlijden bezig iets aan zijn levenswijze te veranderen om gebreken bij te schaven. En dat in een land waar de banden van de traditie altijd sterk zijn geweest.
Voor Gandhi is de mens een enorme spirituele kracht  die wordt omsloten door een fysieke vorm. ‘Als zijn hoop, begeerte, inzet en wil samensmelten en één worden, wordt deze kracht nog tijdens zijn leven vrijgemaakt en kan zelfs de dood van zijn lichaam die niet meer aan banden leggen. Hij is een kracht die niet kan sterven, die weer ontwaakt zodra er waar dan ook een individu, een gemeenschap of een volk is dat zich met al zijn kracht en met heel zijn wil op geweldloosheid richt.’

Boeken over Gandhi gaan vaak over het licht dat hij liet schijnen op economie, onderwijs, politieke filosofie, zijn (vegetarische) eetgewoonten en gezondheid. Sociale activisten zien in hem  de vader van de geweldloosheid, anderen ‘de belangrijkste religieuze figuur van onze tijd.’ Gandhi zelf zag dat anders. In zijn autobiografie – Mijn experimenten met waarheid – schrijft hij: ‘Ik heb de mensheid niets nieuws te leren. Waarheid en geweldloosheid zijn zo oud als de wereld. Het enige wat ik heb gedaan is met beide experimenteren op de grootst mogelijke schaal die binnen mijn bereik lag. (…) Mijn hele filosofie, als je er die pretentieuze naam aan mag geven, ligt opgesloten in hetgeen ik heb gezegd. Maar noem het geen gandhiïsme, want het heeft niets met ‘ismen’ te maken. En het behoeft ook geen uitgebreide literatuur of propaganda. Men heeft religieuze geschriften aangehaald om mijn standpunt aan te vallen, maar ik heb meer dan ooit vastgehouden aan het standpunt dat de waarheid nooit aan wat dan ook mag worden opgeofferd. Zij die geloven in de eenvoudige waarheden die ik heb vastgelegd, kunnen deze alleen propageren door ernaar te leven.’ Gandhi zegt hier in feite dat een beter wereld bij onszelf begint, zoals zijn eigen leven verbeterde naarmate hij zelf veranderde.

Was Gandhi niet een beetje onrealistisch, hield hij niet te weinig rekening met de grenzen van onze capaciteiten? Volgens Gandhi ligt de grootheid van de mens niet zozeer in zijn vermogen de wereld om zich heen te herscheppen, als wel in zijn vermogen zichzelf te herscheppen. Nagler voegde daaraan toe: ‘We zijn allemaal geboren voor het glorieuze ideaal van geweldloosheid en waarheid en wanneer we enthousiast raken voor dit ideaal bestaan er geen belemmeringen, opgelegd door erfelijkheid of omstandigheden , die ons ervan kunnen weerhouden ons te verheffen tot ons volle menselijke formaat.’ Volgens Gandhi beschikt ieder mens over de eigenschappen waarmee hij zelf de harten van zijn tijdgenoten stal. Elk mens kan volgens hem de geestelijke vitaliteit en de bruisende blijdschap opbrengen die hij zelf heeft moeten leren kennen. Een oproep tot onbaatzuchtigheid is wel degelijk aan ons egoïstische brein besteed, al wil dat niet zeggen dat mensen er ook altijd gehoor aan geven. Mensen schijnen niet te beschikken over een aangeboren geneigdheid een praktijk van zelfbeperking te ontwikkelen. Wel zou hij die altijd weer propageren en onderwijzen. Er zal dus een en ander aan ethiek aan de menselijke natuur moeten worden toegevoegd of opgelegd. Vanzelf zal het in elk geval niet gaan.

Jos Teunissen