Tijd voor de grote ontnuchtering
Frontaal tegen de tijdgeest in komt de Maastrichtse filosoof Rein de Wilde ons vertellen dat we met internet NIET razendsnel op weg zijn de wereld op een hoger plan te brengen, maar dat we lijdend-voorwerpen zijn in een ‘toekomst-industrie’ die ons opzadelt met opgeklopte verwachtingen, utopieën, dromen en verleidingen die nooit werkelijkheid worden, maar wel voortdurend hogere eisen aan ons stellen.

Razendsnelle vooruitgang? Op naar E-topia? Het wordt tijd voor de grote ontnuchtering, zegt de Maastrichtse hoogleraar filosofie Rein de Wilde. ‘We bewegen ons niet meer naar de toekomst, de toekomst komt op ons af. Dreigend, groter en machtiger dan wijzelf.’
Frontaal tegen de tijdgeest in komt de Maastrichtse filosoof Rein de Wilde ons vertellen dat we met internet NIET razendsnel op weg zijn de wereld op een hoger plan te brengen, maar dat we lijdend-voorwerpen zijn in een ‘toekomst-industrie’ die ons opzadelt met opgeklopte verwachtingen, utopieën, dromen en verleidingen die nooit werkelijkheid worden, maar wel voortdurend hogere eisen aan ons stellen.
Bent u al weggehoond met de bekende sjablones: ‘U bent tegen de vooruitgang’, ‘U bent conservatief’, ‘U wordt oud’? ‘Nee, helemaal niet. De meeste reacties zijn positief. ‘We hebben ook wel behoefte aan een tegengeluid’, hoor ik.’
Het techno-optimisme heeft de trekken van een geloof, stelt u. Heeft dat geloof ook een religieuze dimensie? ‘Het is absoluut waar dat er een religieus motief in het techno-geloof zit. Soms is het zeer expliciet.Katholiek-mystieke denkers als Teilhard de Chardin en Thomas van Aquino stelden al dat we evolueren naar een hogere zijns-vorm.En die zijnsvorm is uiteindelijk van geestelijke aard; ooit zullen we het materiële (ons lichaam) verlaten en dan kunnen we op een metafysisch niveau via onze geest één worden met elkaar. Dat is altijd een christelijk thema geweest: het lichaam houdt ons van elkaar gescheiden, maar geestelijk zijn we in principe één.
Dit denken is overgenomen door mensen als Maurice de Hond en Bill Gates. Ze zeggen: het internet brengt ons uiteindelijk naar een hogere zijns-vorm. Als we straks onze geest kunnen downloaden op een cd of op het net zelf, dan hebben we die hogere sfeer bereikt, dan zijn we allemaal deel van een groot wereldbrein (het internet). Dat is een zeer directe link met de katholieke mystiek. Die benadrukt het collectieve en het hogere/immateriële, en het einde van onze individualiteit.
Een andere, meer indirecte link is de structuur van het christelijke verlossingsverhaal: als je nu gehoorzaamt, zul je straks vrij zijn en zullen er geen grenzen meer zijn aan je bestaan; want het paradijs kent geen schaarste. Dat zegt De Hond ook: doe precies wat ik je voorspel, onderwerp je aan de hogere machten van de techniek, geef je autonomie op en ik beloof je dat dat jou uiteindelijk de totale vrijheid brengt. Ons leven wordt dan weer zoals het ooit bedoeld was: ordelijk, helder en doorzichtig. De internet-technologie zal ons naar dit vooraf gegeven doel leiden. De wereld krijgt dan iets dat we zelf niet voor elkaar hebben gekregen: onze onderlinge verbondenheid wordt hersteld. De zondeval is dan ongedaan gemaakt en al onze problemen, inclusief onze sterfelijkheid, zullen definitief tot jet verleden behoren.’
Het lijkt wel alsof we vastgeklonken zitten aan deze ontwikkeling: het is meedoen of verliezen. ‘Het is zo ongelooflijk, zo kritiekloos wat er allemaal wordt beweerd over onze toekomst. Met die quasi-exactheid die publiek debat eigenlijk overbodig maakt. ‘In 2021 zullen we in een wereld leven die dankzij internet vrijer, democratischer, rechtvaardiger zal zijn.’ Hoe kun je dat nou zo stellig beweren? Opvallend vind ik, dat veel historici en filosofen de utopie hebben doodverklaard, maar dat je bij de toekomst-voorspellers het ene utopische motief na het andere tegenkomt. Ze schetsen een toekomst als een soort luilekkerland vol nieuwe technologie. Ze krijgen weinig weerwoord, omdat de geschiedenis van wetenschap en technologie in de media minder aandacht krijgt dan politieke of culturele geschiedenis; we zijn dus ook minder bekend met de meestal overtrokken verwachtingen die nieuwe apparaten of technieken in hun beginperiode steeds hebben gewekt. In de jaren twintig werd over de radio en in de jaren vijftig over kernenergie in dezelfde utopische termen gesproken als over het internet nu. Toch wordt dit gegeven nooit een belangrijk thema in het maatschappelijk debat over de toekomst.
Als je kijkt naar de geschiedenis van de technologie, dan zie je dat wetenschappers steeds enorm zeker van hun zaak zijn over het effect van hun vinding op mens en maatschappij; hoewel ‘zekerheid’ en wetenschap moeilijk bij elkaar passen. Dat nieuwe dingen niet alleen oude problemen oplossen maar ons ook voor nieuwe problemen kunnen plaatsen waardoor we ons ‘overvallen’ voelen, dat wordt onvoldoende onderkend.’
Aan apparaten worden hogere menselijke eigenschappen toegedicht: ze worden ‘steeds slimmer’ en als we niet oppassen, verliezen we het uiteindelijk van ze. Je ziet nu al experimenten met het doel mens en machine aan elkaar te knopen. ‘Op de televisie zag ik een hoogleraar informatica beweren dat computers over 20 jaar het werk van de regering kunnen overnemen. Het gaat hier om volwassen jongens die ooit aan een wekker of een radio zaten te sleutelen en met dat geknutsel gewoon zijn doorgegaan. Als ze uitspraken gaan doen over de verhouding tussen techniek en samenleving, moet je dat gelijk stellen met wat een jongen van 14 daarover zegt.’
Waarom voegen we ons zo massaal, kritiekloos en gemakkelijk naar dit soort toekomstbeelden? Zijn we dan toch niet zulke rationele wezens als we graag denken? ‘Onderdeel van de rationaliteit is het moderne levensbesef. En bij dat besef hoort dat je je voortdurend materieel wilt verbeteren. Dat is tenminste een ideaal dat we, binnen de harde realiteit, zelf kunnen verwezenlijken. Opvallend aan de technologie-goeroes is, dat ze de toekomst nooit associëren met toenemende complexiteit of onzekerheid. Nee, men verwacht de verwezenlijking van een droom uit het verleden: een eigen butler, zij het dan in digitale vorm. Een droom die vroeger alleen voor de elite werkelijkheid werd, maar nu alsnog door de techniek voor ons allen wordt waargemaakt. Al het goede uit oude tijden kan door nieuwe technologie tot leven worden gewekt, luidt de boodschap achter hun beloften.
Het is uiteraard goed dat mensen en samenlevingen idealen, ambities en utopische dromen hebben. Maar je moet ook beseffen dat die altijd onderhevig zijn aan beïnvloeding door mensen die op deze behoefte inspelen om commerciële redenen. En daar zit mijn kritiek: de deelbelangen van de technologie-industrie worden neergezet als een algemeen belang, terwijl de kritiek daarop weinig aan bod komt. ‘De’ toekomst bestaat helemaal niet. Als iemand daar iets over roept, moet je daar kritisch over zijn. Als het over het verleden gaat, kun je nog wel een en ander checken. Maar hoe moet dat met de toekomst? Waarmee moeten we ons dan vergelijken? Ons kritisch vermogen ten aanzien van het verleden is veel meer ontwikkeld dan wanneer we het over de toekomst hebben.’
Vandaar dat als je kritisch doet over technologie, men al gauw roept: ‘Was het vroeger dan zoveel beter?’ Ja, ik kreeg laatst de vraag: gelooft u dan niet in de vooruitgang? Daar geloof ik wel in, maar niet in blinde vooruitgang. Natuurlijk, er is dankzij techniek en wetenschap enorme vooruitgang geboekt. Maar daar ligt mijn kritiek niet. Zoals ik ook het internet op zich niet kritiseer; ook ik vind het prachtig. Maar als mensen daar omheen van alles gaan beweren - ‘Internet zal onze wereld democratischer maken’ - dan begint mijn kritiek. Het belemmert verstandig omgaan met het internet. Ongetwijfeld heeft het internet ook nadelen. Dat geldt voor praktisch iedere nieuwe technologie die de afgelopen 50 jaar in ons leven is geïntroduceerd: er zijn steeds evenveel voor- als nadelen. De muisarm is een ziekte die niemand had voorzien. De nadelen worden beschouwd als een soort tweede-rangs problemen. Als we rond de introductie van nieuwe technologieën als indertijd kernenergie en tal van chemische producten een beter inzicht hadden gehad in de interactie met samenleving en milieu, en bovendien hadden geleerd van de optimistische toekomstverwachtingen in een eerder verleden, dan hadden we die rampen kunnen voorkomen of er sneller en adequater op kunnen reageren.’
Staat de overheid te veel aan de kant van het conglomeraat van technologie en economie? ‘Ja. Burgers worden door politici de computerwinkel ingejaagd. ‘Het is zorgelijk dat Europeanen veel minder gebruik maken van het internet dan Amerikanen’, hebben ze gezegd. Het gaat dus uiteindelijk om de vraag: wie slaagt erin de wereld te domineren? Om anderen in de toekomst onze wil te kunnen opleggen, moeten we nu allemaal gaan internetten en de ict-industrie de vrije hand geven.
Bij gen-technologie zeggen ze dit soort dingen voorzichtiger: ’Er moet een ethische discussie komen.’ En dan bedoelen ze: we moeten een beetje kneden en drukken om het maatschappelijk aanvaard te krijgen.Maar rond ‘informatietechnologie’ liggen ze al bij voorbaat plat en wordt er blind in geïnvesteerd. Het is een vorm van symbolisch en strategisch handelen: je behoort erin te investeren, want we zitten in een rat race met Amerika en Japan. Dus: niet nadenken, want dat kost tijd en dan raken we achter. Het is de logica van de ‘aanstormende toekomst’: wij bewegen ons niet naar de toekomst, de toekomst komt op ons af. Dreigend, groter en machtiger dan wijzelf. Tijd voor fundamentele vragen naar de wenselijkheid ervan is er niet. Zoals de vraag: wìllen we wel de hele dag naar een beeldscherm kijken? Dat wordt gezien als een zinloze en gevaarlijke vraag, want iedere aarzeling zal ons alleen maar achterstand opleveren. Verzet u niet, onderneem iets en wel gauw, anders worden we weggevaagd. Snel, dan bent u anderen een stap voor; investeer nu, anders ben je straks een loser. Deze retoriek van de haast heeft ook de politiek in haar greep gekregen.
Met ‘vrijheid’ heeft dit alles weinig meer te maken. De vrijheid om niets te moeten doen en alles bij het oude te laten, bestaat nauwelijks nog. Een grotere keuze-ruimte bij 100 tv-kanalen kan er toe leiden dat de dwang om te kiezen toeneemt. In een tijd dat er nog weinig auto’s waren, was de keuzevrijheid om wel of niet een rijbewijs te halen veel groter dan nu.
De techno-goeroes omzeilen dit probleem door te stellen: om later meer vrijheid te krijgen, moeten we nu vrijheid inleveren. En dat zie je ook inderdaad gebeuren: mensen werken zich een ongeluk, het leven is één grote race tegen alles en iedereen die almaar jachtiger wordt. In deze hijgmaatschappij stelt nieuwe technologie voortdurend hogere eisen aan ons.’
Gaan we voorlopig door met die massale fascinatie voor de techniek - op naar de volgende hype op dat gebied - of zet de ontnuchtering door? ‘Ik geef u het meest verstandige antwoord: ik weet het niet. Ik zie verschillende trends die niet allemaal in dezelfde richting wijzen. Een ervan is de blijvende fascinatie voor de combinatie van technologie met ‘geest’. We horen nu al nauwelijks meer het woord ‘virtueel’. Het is vervangen door ‘slim’ en die trend gaat zeker door. We zullen de komende jaren worden vergeven van die metafoor: ‘slimme’ snelwegen, ‘slimme’ steden. Het woord ‘slim’ is een vrijbrief voor technocratische oplossingen. En naarmate de invloed van Amerika als economische macht toeneemt, zal dit denken alleen maar sterken worden.
Daar staat tegenover dat er een groeiende groep mensen is die kijkt of de kip bij Albert Heijn inderdaad los heeft gelopen of niet. Of hoe energiebewust een bedrijf heeft geproduceerd. Ook op die trend wordt momenteel ingespeeld. Maar daar moet je geen utopische verwachtingen van hebben.’
Bent u zelf terughoudend in het gebruik van nieuwe technische snufjes? ‘Ook ik heb een mobieltje. Maar ik heb ‘m eigenlijk altijd uit staan. En dan is het een prachtig apparaatje. Hetzelfde geldt voor de tv: je hoeft ‘m niet aan te zetten. Niet de techniek dwingt ons, dat doen we zelf. Dat geldt ook voor het internet. Op mijn werk zie ik dat iedereen voortdurend on line is. Geheel conform de norm die er is ontstaan dat je altijd bereikbaar moet zijn en per omgaande dient te reageren. Ik hoor wel eens zeggen: ‘Ik heb al een halve dag niks van je gehoord.’ Ik zie mensen op de meest creatieve en frisse momenten - ’s ochtends tussen 9 en 10 uur - bezig e-mails te versturen. Ik zeg niet dat e-mailen niet handig is, maar je moet met slimme technologie niet dom omgaan.’
Jona Bos
Rein de Wilde: De voorspellers, een kritiek op de toekomstindustrie. Uitgave De Balie. Prijs f 39,90.
Jona Bos is medewerker van Sympatheia