Vijf keer zwanger, één kind
De relatief hoge babysterfte in Nederland verontrust medische onderzoekers. Bij Myriam (40) ontwaakte 10 jaar geleden het verlangen naar een kind. Nu, vijf zwangerschappen verder en moederend over haar 7-jarige zoon, is ze bereid over haar ervaringen te vertellen. ‘Achteraf gezien vind ik dat ze me niet goed in de gaten hebben gehouden.’
”Onze familie en vrienden kennen onze geschiedenis intussen wel. Op een gegeven moment praat je er dan niet meer over. Het leven gaat door. Toch is wat ik heb meegemaakt altijd bij me, en het verwerken ervan gaat niet in één keer. Ik kan nog van die dagen hebben dat ik me zo grijs en grauw voel, en dat wil ik niet. Ik wil geen zielig mens zijn dat haar hele leven gebukt gaat onder de ellende die ze heeft moeten doorstaan. Ook al heb ik er soms wel moeite mee dat wij een gezin zijn met maar één kind.
Toen Pim en ik een kind wilden, waren we het erover eens dat we er niet zo’n geplande toestand van moesten maken. Ik was druk aan het werk en we hadden iets van: wat komt dat komt. Na anderhalf jaar was ik zwanger. Ik vond het hardstikke leuk en ook voor Pim was het een verrassing. We waren heel onbevangen, zorgeloos. Ik voelde me goed. Na ’n week of tien ging ik naar de verloskundige en het was allemaal prima. Mijn buik was al snel zichtbaar, dus veel mensen wisten al gauw dat ik in verwachting was.
Na 23 weken gebeurde het. Die dag kan ik me nog heel goed herinneren. We waren wezen wandelen, daarna was ik in bad gegaan... ’s Nachts werd ik wakker met flinke pijn in mijn buik. Niet wetend wat er aan de hand was, probeerde ik me te ontspannen. Achteraf denk ik wel eens: ik heb toen veel te lang gewacht. Achteraf ja... Je denkt gewoon: dit kan niet verkeerd zijn, dit gaat zo weer weg.
Op een gegeven moment kon ik me niet meer ontspannen. Pim wist zich geen raad. Het was een kramp die niet meer wegging. Weeën, dat weet je, komen in golven. Maar dat was dit niet. Maar ik had geen bloedverlies, en dat is vaak een signaal dat er iets mis is, wist ik. Dus ik had toch zoiets van: er is niks aan de hand. Ik kwam ook niet op het idee om de verloskundige te bellen, want die kende ik nog nauwelijks. Op een gegeven moment was het niet meer uit te houden, dus Pim heeft die nacht nog de huisarts gebeld. Die heeft geluisterd naar de harttonen, en zei toen: stap maar in mijn auto, ik rij jullie naar het ziekenhuis.
Bij de Eerste Hulp verschenen na elkaar verschillende mensen aan mijn bed. En op een gegeven moment is ons daar verteld dat het kindje overleden was. Pim zegt dat ze het vrij snel vertelden, maar ik heb dat niet zo goed meegekregen omdat ik zoveel pijn had. Ondraaglijk. Je komt dan een beetje naast jezelf te staan. Ik heb toen weeënopwekkende middelen gehad om het hele proces op gang te brengen. Dat duurde eindeloos, want je lichaam is er dan nog niet op ingesteld. Ik kreeg heel veel pijnstillers tijdens die bevalling, en ik heb er twee dagen over gedaan. Pim is al die tijd bij me gebleven, alleen even een halfuurtje op en neer naar mijn ouders, want die waren heel ongerust.
Toen het allemaal achter de rug was, konden ze aan de structuur van de placenta zien dat deze had losgelaten, acuut. Hij was er in één keer afgescheurd. En waarom? Hij zag er goed uit, geen slechte doorbloeding, niets bijzonders. Ook was met mij niets bijzonders gebeurd, ik was niet gevallen of zo; ik lag in bed toen het gebeurde. Het is heel snel gegaan, zeiden ze. Er komt dan heel veel bloed in de baarmoeder, en de navelstreng krijgt geen bloedtoevoer meer uit je lichaam. Het kindje was helemaal in orde. Zuur hè?
We hebben Bas heel even bij ons gehad en er zijn foto’s gemaakt. Ik weet nog dat ze vroegen wat we eigenlijk met Bas wilden doen. Ze hebben niet gevraagd of we hem mee naar huis wilden nemen. Toen was dat ook nog niet zo gebruikelijk. Ik voelde het als een verzoek van het ziekenhuis om een onderzoek te laten doen, en ik wilde het zelf ook heel graag, met het oog op de toekomst. We wilden toch weten wat er gebeurd was, en of je dat een volgende keer zou kunnen voorkomen. We hebben er toen voor gekozen dat hij daar zou blijven.
Achteraf denk ik wel eens: ze weten nog zo weinig van dit soort dingen. Ze weten veel, maar ze weten ook heel veel niet. Zeker in zo’n geval als het mijne. Ik dacht toen dat er heel veel uit dat onderzoek zou komen, maar dat was niet zo.
Als zoiets je de eerste keer overkomt, en het is de eerste zwangerschap, dan hebben de artsen en de verpleging zoiets van: het komt allemaal wel goed. Anderen weten gewoon niet hoe ze zich een houding moeten geven. ’Ik heb ook wel eens een miskraam gehad, daar kom je wel overheen,’ zei er een. Maar dat is het stomste wat iemand op zo’n moment kan zeggen. ’Je bent nog jong’, ook zoiets. Het is goed bedoeld, maar ze kunnen dan beter niks zeggen en verdriet hebben met je.
In het ziekenhuis wilden ze me niet op de kraamafdeling leggen tussen de moeders met baby’s en ik belandde in een of ander zijkamertje naast een keukentje. De verpleging zat daar vaak en veel personeel kwam bij me kijken. Dan ging de deur weer open en dan was ’t ’Hallo!’. Het was een sfeer die me ook nu nog heel verdrietig maakt. Ik voelde me in de steek gelaten. De enige van het ziekenhuis die je dan wilt zien, is de gynaecoloog die erbij is geweest. Maar die heeft op een gegeven moment geen dienst meer. Maar ook hij had trouwens in het ontslaggesprek niet méér te melden dan wat er gebeurd was, en een houding van: we zien wel.
Het was eigenlijk een aaneenschakeling van akelige dingen tijdens die dagen in het ziekenhuis. Op een gegeven moment stond er een arts-in-opleiding in de kamer, zo’n jong ventje, met: ’Ik kom even de harttonen van de baby beluisteren’. Ik begon meteen te huilen en zei wat er was. Dat was zo ongemakkelijk, voor hem ook. ’Dan hebben ze me naar de verkeerde kamer gestuurd,’ zei hij. Ik zie hem daar nóg staan met dat ding in zijn handen. Die was dus gewoon verdwaald...
Toen naar huis, en ik ben vrij snel opgekrabbeld. Ik was weer toekomstgericht. Ik heb veel steun gehad van familie en vrienden. Dat is een verrijking achteraf, dat doet goed. Maar er was ook wel een bepaalde druk; althans, zo heb ik dat ingevuld. Mensen durfden na verloop van tijd niet te vragen hoe het ermee stond, of ik alweer zwanger was. Mijn eerste impuls na mijn thuiskomst was, dat ik onmiddellijk weer in verwachting wilde raken. Maar ik besloot toch dat er een tijdje overheen moest gaan, tot ik echt weer helemaal fit was. ’En... hoe is ’t?’ vroegen ze dan. Maar eigenlijk wilden ze vragen of het al zover was. Dat vond ik zelf ongemakkelijk.
Na een jaar was ik weer zwanger. Ik voelde me meteen al tien keer slechter dan in de vorige zwangerschap, en met dertien weken werd het een miskraam. Ik werd ’s nachts wakker met een bloeding, het was alsof er een kraan openstond. Pim heeft er een handdoek bijgehaald. Ik dacht: dat stopt zo wel, maar dat deed het niet. Die nacht zijn we halsoverkop naar het ziekenhuis gereden. Daarna ging het heel snel. Ik moest onmiddellijk onder narcose voor een curettage, vanwege die bloeding. Dokter De Jong heeft mij toen behandeld. Ook met hem heb ik nadien nog een paar keer te maken gehad. Dat was een goeie.
Ik herinner me nog hoe ik na die miskraam bezig was om weer zwanger te worden. Het was voor mij uitgesloten dat het wéér fout zou gaan. Dat is een soort overlevingsdrang. Dat zat hem ook in de percentages die ze je dan voorrekenen. Een placenta-loslating en een miskraam hebben in de statistieken niks met elkaar te maken. Het zijn afzonderlijke dingen waar medisch gezien geen touw aan vast te knopen is. Dan ga je zelf ook zo denken: je hebt het één meegemaakt, en ook het ander. Punt.
Toen werd ik zwanger van Timo. Er waren geen extra controles; geen extra onderzoek. Mijn bloeddruk was goed. Twee dagen voor de uitteldatum zijn we gaan wandelen. We belandden op een terras in de zon en daar verloor ik vruchtwater, maar ik heb geen moment van paniek gehad. We gingen naar het ziekenhuis en de geboorte van Timo verliep heel voorspoedig. Acht pond woog hij. De volgende dag moest hij in quarantaine, want ik had koorts. Dat zou op een infectie kunnen duiden, en als ze dat afwachten kan het voor de baby fataal zijn. Bij mij sloeg de paniek toe: o, er is wéér iets! O god, dacht ik, niet bij mij!
Dus daar lag die bolle baby, in de couveuse. We hebben daar nog foto’s van. Dat is zo grappig, nu je hem goed kent. Je ziet dan dat snoetje, hij lag echt te puffen. Hij had genoeg energie om zichzelf warm te houden. ’s Nachts, als ik niet kon slapen, werd ik door een aardige verpleegster naar de afdeling gereden waar Timo lag. Dat was erg steunend. Achteraf denk ik dat er toen helemaal niks aan de hand was. Wij kwamen recht uit de zon, van dat terras. Wie weet was mijn temperatuur daardoor licht verhoogd. Maar goed, ze namen geen risico. In medisch opzicht was toen het bewijs geleverd dat het ook goed kon gaan bij mij, in mijn lichaam. Het was een bevestiging: zie je wel! Ook voor jezelf. En dan verandert er zo veel.
‘In het begin zoek je naar wie de schuld heeft, ook bij jezelf’
Als je één kind hebt, dan wil je er meer, dat is zo logisch. Pim en ik hadden allebei ervaring met broertjes en zusjes, en dat wil je dan heel graag ook voor je kind.
In die tijd zochten ze vanuit het ziekenhuis vrouwen die wilden meedoen met een onderzoek. Dat had te maken met een bepaald eiwit in het bloed. Ze dachten dat mensen met een verhoogd gehalte daarvan een grotere kans op miskramen hebben. Je mocht niet zwanger zijn als je deelnam. Ik wilde daar wel aan meedoen, maar ik heb wel gezegd dat ik graag zwanger wilde worden. Dat gaf niet; de deelname voor mij zou gewoon ophouden als het ervan kwam. Ik moest iedere week nuchter komen en na een eiwitrijk ontbijtje deden ze metingen. Met de resultaten deden ze nog niks. Daar was ik eerlijk gezegd ook niet benieuwd naar. Ik was niet bezig met antwoorden. Ik had Timo toch? Het was toch goed gegaan!
Na een poosje raakte ik opnieuw zwanger. Die zwangerschap was van het begin af aan heel zwaar. Ik was moe, moe, moe. Maar ja, je hebt al een kindje, en we gingen in die periode ook nog verhuizen, dus daar wijt je het aan. Het was allemaal veel drukker. Ik had veel last van mijn bilspier. De pijn daarvan liep helemaal door tot in mijn been. Ik liep ervoor bij de fysiotherapie. Op een dag - ik was in de 26-ste week - was het nog erger dan anders. Het straalde helemaal uit naar mijn rug. Ik kreeg een massage van de fysiotherapeute en toen ging het weer wat beter. Ik naar de stad, maar daar werd het toch wel heftig. Achteraf gezien bleken dat dus rugweeën te zijn. Die had ik nog nooit gehad, dus dat herkende ik niet. Ik ben vanuit de stad rechtstreeks naar het ziekenhuis gereden. Bij de balie aangekomen zei ik: ’Ik heb geen afspraak, maar het voelt niet goed.’ Of er spoed bij was, werd er gevraagd. ’Ik wacht wel even,’ zei ik, want zo voelde ik het niet. En ik ben daar nog gewoon gaan zitten.
De gynaecoloog kwam, deed onderzoek en constateerde dat ik al ontsluiting had. Ik moest onmiddellijk naar de afdeling, en binnen de kortste keren lag ik aan de weeënremmende middelen. Dat zijn hormonen waardoor je je heel opgejaagd gaat voelen. Ik wilde het ziekenhuis wel uitrénnen. Je hart gaat als een gek tekeer. Als ze kwamen vragen of het al minder werd met de weeën, dan zei ik ’ja’, want ik was bang dat ze anders met de therapie zouden stoppen en dan ging het zéker mis, dat wist ik. Dus ik wilde door. Ik heb daar een paar uur zo gelegen. Mijn moeder is nog langsgeweest, met Timo. Op een gegeven moment was er echt geen houden meer aan. De bevalling was al helemaal op gang, ondanks die weeënremmers. Die kracht is zó groot, dat kun je niet tegenhouden. Dus toen werd Noud geboren.
Ze hadden van tevoren gezegd dat de levenskansen heel klein waren. We moesten erop rekenen dat hij meteen zou overlijden. Dus wij waren erop ingesteld dat het ongeveer zo zou zijn als met Bas. Maar hij heeft het nog twee dagen volgehouden. En op een of andere manier ben je daar dan ook niet op voorbereid. Hij was voor zijn leeftijd best krachtig, en hij huilde heel hard. ’Kijk toch eens,’ zeiden de verpleegsters die kwamen kijken, ’zo’n kleintje.’ Dus dan komt de vertwijfeling, ook bij de artsen. De grens ligt eigenlijk bij 27 weken, maar ze wilden hem toch een kans geven. ’s Nachts is hij toen naar het dichtstbijzijnde academisch ziekenhuis gebracht. Hij kwam op neonatologie, met een team van wel zes mensen. Het is net science-fiction, al die apparaten met allemaal toeters en bellen, en heel weinig licht, want dat is niet goed voor de heel kleine kindjes.
Je hebt zo weinig keus, hè. Ze geven dan aan dat hij daar naartoe kan, maar achteraf denk ik: we hadden gewoon in het ziekenhuis moeten blijven, waar hij geboren was. Hij had het tóch niet gered, zijn longetjes waren gewoon nog niet goed. Maar ze wilden het proberen, ze vonden hem zo levendig.
Toen hij eenmaal naar dat universiteitsziekenhuis ging, hadden we nog hoop. Maar toen hij daar eenmaal lag, geloofde ik er niet meer in. Het was gewoon niet goed. Het was zo ongelooflijk moeilijk om te zien... Ja, ik heb het echt zo gezien, dat ze iemand die graag dood wil in leven proberen te houden. Verschrikkelijk. Zo’n strijd om alsjeblieft te kunnen inslapen. Het is net andersom als bij iemand die vecht voor z’n leven. Je zág het steeds minder worden. Ik vond dat je dat goed kon zien, ja. Als dat niet zo was, zou je het daar uitschreeuwen om te zorgen dat ze alles in het werk zouden stellen om je kind te redden. Maar hoe hij erbij lag... we vonden het verschrikkelijk om hem dat aan te doen. Hij lag daar met zijn hele lijfje te zwoegen, je ziet de metertjes dalen, dan gaat er weer een alarm.
Op een gegeven moment hadden we een gesprek met de kinderarts. Die vroeg wat wij ervan dachten. De kansen waren heel klein, zei hij. Ze konden eventueel nog aan de gang met een apparaat dat de functie van de longblaasjes overneemt, maar dat brengt in veel gevallen complicaties met zich mee. Het kindje was zo jong nog... de kans was nihil. Toen hebben we gezegd: dan stoppen we er meteen mee. Dat is verschrikkelijk moeilijk. Maar toch was die beslissing een opluchting. En ik kreeg van die arts het gevoel dat we gelijk hadden.
We kregen een kamertje apart waar we konden gaan zitten met Noud. Toen hebben ze alle slangen afgekoppeld en na een tijdje is hij overleden. Dat duurde best nog lang, maar dat was ook wel weer fijn. Vanaf dat Noud uit die kast is gekomen - want zo noem ik die hele stellage - heb ik er wel goede herinneringen aan. Ik heb tegen hem gepraat, en toen is hij zachtjes ingeslapen. Je bent overmand door verdriet, maar je zit ook in een soort roes. Je maakt zóveel mee in heel korte tijd… Toen hebben we Noud mee naar huis genomen, zodat Timo er ook bij betrokken was. Op die avond zijn er heel veel vrienden en familie bij ons geweest. We hebben een heel fijn contact gehad met een begrafenisonderneemster en toen het zover was hebben we Noud met ons drietjes naar het crematorium gebracht. We hadden zelf muziek uitgekozen en we hebben samen afscheid genomen. Timo, die was toen 3, heeft een van zijn kabouters in het mandje gelegd. Daar hebben we nog foto’s van gemaakt. Pim heeft het mandje met Noud erin toen zelf naar de crematie-oven gebracht. Daar moest ík niet aan denken hoor, maar Pim had zoiets van: dan wil ik hem ook tot het eind toe brengen.
We gaan wel eens naar het kerkhof. De urn is bijgezet in het grafkeldertje van mijn vader. Dus als we naar opa gaan, gaan we ook naar Noud.
Omdat Noud geleefd heeft, was dit toch anders dan de eerste keer. Het is eigenlijk geen vergelijking, want als het je de eerste keer overkomt is alles ingrijpend, ook de bevalling op zich. Gek eigenlijk, dat je dat soort dingen met elkaar gaat vergelijken. Het is allemaal verdriet, en toch ga je het in een bepaald hokje plaatsen.
Uit het onderzoek waar ik aan deelnam, bleek dat het homocysteïnegehalte in mijn bloed te hoog was. Dat hield het risico in dat ik kans had op miskramen en op loslating van de placenta. Dat was dus al bekend voordat ik in verwachting raakte van Roos, maar ze mochten het toen nog niet naar buiten brengen omdat het nog in de onderzoeksfase was. Extra foliumzuur, twee tabletjes per dag, dat verkleint het risico...
Ik ben fris aan de zwangerschap van Roos begonnen. Er zat twee jaar tussen. Ook nu weer had ik goede moed. Mensen zeiden wel eens tegen me: ’Hoe durf je het aan? Dat je daar nóg een keer aan begint! Maar zo voelde het eigenlijk helemaal niet. Niet dat ik blind bezig was of zo, dat zwanger worden het enige was, maar ik wilde gewoon graag nóg een kind.
Toen ik 38 weken was en uit bed stapte kreeg ik heel erge steken. En ik herkende het gevoel, het was hetzelfde als de eerste keer. Ik durfde het niet tegen Pim te zeggen. Terwijl ik op de rand van het bad zat, zei ik tegen Pim: ’ Bel maar even, want volgens mij moeten we naar het ziekenhuis.’ Hij vroeg waarom. ’Misschien zijn dit wel de eerste weeën,’ zei ik toen. Dat wou ik ook heel graag, dat dat het was. ’Hoe voelt het dan?’ vroeg Pim. ’Het voelt niet goed,’ was mijn antwoord.
In de auto zei Pim: ’Het is hetzelfde als de eerste keer, hè Myriam?’ En ik: ’Ja, het voelt precies hetzelfde.’ In het ziekenhuis aangekomen zei ik: ’Ik moet nú metéén! Ik voel dat het niet goed is.’ Pim drong ook aan, maar ze zeiden: ’We willen eerst luisteren.’ Ik: ’Je hoeft niet te luisteren, het is gewoon niet goed!’ Toen de assistente luisterde, zei ze niks. Daarna kwam eerst nog het hoofd van de afdeling. Het wachten was op de gynaecoloog. En ik had nog wel gezegd, toen we belden, dat ze meteen mijn dossier moesten opzoeken. Misschien konden ze dan nog iets redden. Achteraf bekeken zal het wel niet gekund hebben, maar als ze in elk geval de moeite hadden gedaan...
Pim drong ook aan: ’Jullie moeten iets doen, want ik zie dat precies hetzelfde gebeurt als de eerste keer.’ Het was afschuwelijk. Al met al duurde het wel een half uur tot de gynaecoloog kwam. Hij constateerde dat het een loslating van de placenta was. Het kindje was al overleden.
Toen moest het hele circus weer opnieuw beginnen. Het hele verhaal van voren af aan: de ontsluiting moest op gang komen. Narcose of een ruggenprik kon niet, want mijn bloedbeeld was te slecht. Ik heb toen veel morfine gehad. Maar het hielp bijna niet en het was snel uitgewerkt. Telkens moesten ze de dosis verhogen. Ik had continu kramp, en dan sta je op je kop in bed, dat kan ik je wel vertellen. Ik was gewoon aan het flippen. Ik dacht: ik ga zo meteen van mijn stokje en dan kom ik er niet meer uit. Dus ik bleef rechtop zitten. Ik dacht: ze krijgen me er niet onder!
Al met al duurde het niet zo lang als met Bas, maar het was toch heel lang. En toen is Roos geboren. Ze woog acht pond. Een prachtig, gaaf meisje, helemaal voldragen; het was ongelooflijk. Dat ongeloof kwam ook van alle mensen die zeiden: ’Waarom hebben ze dat kind niet gehaald?’ En dan ga je dat zelf ook denken. Achteraf gezien vind ik dat ze mij niet goed in de gaten hebben gehouden. En dat toen de uitslag van dat onderzoek al bekend was, is achteraf gezien natuurlijk helemaal zuur. Er is nooit naar gekeken, het is niet met elkaar in verband gebracht. Niemand had blijkbaar op tijd het overzicht.
Ik weet niet of ze het echt hadden kunnen voorkomen. Daar ben ik nu niet zo erg meer mee bezig. Het is gewoon gebeurd. In het begin zoek je naar wie de schuld heeft, ook bij jezelf. Ik heb dat na verloop van tijd kunnen loslaten, want het kostte me te veel energie. Die wil ik gebruiken voor mijn leven nu. Ik ben nu veertig en ik heb nog een heel leven vóór me. Ik wil een leuke moeder zijn voor Timo en genieten van wat ik heb. Pim en ik hebben het heel goed met elkaar en dat wil ik graag zo houden. Ik heb ervan geleerd dat je op een gegeven moment moet toegeven dat je je leven niet helemaal zelf kunt bepalen.”
Riet van Rooij
Uit privacy-overwegingen zijn de namen in dit verhaal veranderd.
”Onze familie en vrienden kennen onze geschiedenis intussen wel. Op een gegeven moment praat je er dan niet meer over. Het leven gaat door. Toch is wat ik heb meegemaakt altijd bij me, en het verwerken ervan gaat niet in één keer. Ik kan nog van die dagen hebben dat ik me zo grijs en grauw voel, en dat wil ik niet. Ik wil geen zielig mens zijn dat haar hele leven gebukt gaat onder de ellende die ze heeft moeten doorstaan. Ook al heb ik er soms wel moeite mee dat wij een gezin zijn met maar één kind.
Toen Pim en ik een kind wilden, waren we het erover eens dat we er niet zo’n geplande toestand van moesten maken. Ik was druk aan het werk en we hadden iets van: wat komt dat komt. Na anderhalf jaar was ik zwanger. Ik vond het hardstikke leuk en ook voor Pim was het een verrassing. We waren heel onbevangen, zorgeloos. Ik voelde me goed. Na ’n week of tien ging ik naar de verloskundige en het was allemaal prima. Mijn buik was al snel zichtbaar, dus veel mensen wisten al gauw dat ik in verwachting was.
Na 23 weken gebeurde het. Die dag kan ik me nog heel goed herinneren. We waren wezen wandelen, daarna was ik in bad gegaan... ’s Nachts werd ik wakker met flinke pijn in mijn buik. Niet wetend wat er aan de hand was, probeerde ik me te ontspannen. Achteraf denk ik wel eens: ik heb toen veel te lang gewacht. Achteraf ja... Je denkt gewoon: dit kan niet verkeerd zijn, dit gaat zo weer weg.
Op een gegeven moment kon ik me niet meer ontspannen. Pim wist zich geen raad. Het was een kramp die niet meer wegging. Weeën, dat weet je, komen in golven. Maar dat was dit niet. Maar ik had geen bloedverlies, en dat is vaak een signaal dat er iets mis is, wist ik. Dus ik had toch zoiets van: er is niks aan de hand. Ik kwam ook niet op het idee om de verloskundige te bellen, want die kende ik nog nauwelijks. Op een gegeven moment was het niet meer uit te houden, dus Pim heeft die nacht nog de huisarts gebeld. Die heeft geluisterd naar de harttonen, en zei toen: stap maar in mijn auto, ik rij jullie naar het ziekenhuis.
Bij de Eerste Hulp verschenen na elkaar verschillende mensen aan mijn bed. En op een gegeven moment is ons daar verteld dat het kindje overleden was. Pim zegt dat ze het vrij snel vertelden, maar ik heb dat niet zo goed meegekregen omdat ik zoveel pijn had. Ondraaglijk. Je komt dan een beetje naast jezelf te staan. Ik heb toen weeënopwekkende middelen gehad om het hele proces op gang te brengen. Dat duurde eindeloos, want je lichaam is er dan nog niet op ingesteld. Ik kreeg heel veel pijnstillers tijdens die bevalling, en ik heb er twee dagen over gedaan. Pim is al die tijd bij me gebleven, alleen even een halfuurtje op en neer naar mijn ouders, want die waren heel ongerust.
Toen het allemaal achter de rug was, konden ze aan de structuur van de placenta zien dat deze had losgelaten, acuut. Hij was er in één keer afgescheurd. En waarom? Hij zag er goed uit, geen slechte doorbloeding, niets bijzonders. Ook was met mij niets bijzonders gebeurd, ik was niet gevallen of zo; ik lag in bed toen het gebeurde. Het is heel snel gegaan, zeiden ze. Er komt dan heel veel bloed in de baarmoeder, en de navelstreng krijgt geen bloedtoevoer meer uit je lichaam. Het kindje was helemaal in orde. Zuur hè?
We hebben Bas heel even bij ons gehad en er zijn foto’s gemaakt. Ik weet nog dat ze vroegen wat we eigenlijk met Bas wilden doen. Ze hebben niet gevraagd of we hem mee naar huis wilden nemen. Toen was dat ook nog niet zo gebruikelijk. Ik voelde het als een verzoek van het ziekenhuis om een onderzoek te laten doen, en ik wilde het zelf ook heel graag, met het oog op de toekomst. We wilden toch weten wat er gebeurd was, en of je dat een volgende keer zou kunnen voorkomen. We hebben er toen voor gekozen dat hij daar zou blijven.
Achteraf denk ik wel eens: ze weten nog zo weinig van dit soort dingen. Ze weten veel, maar ze weten ook heel veel niet. Zeker in zo’n geval als het mijne. Ik dacht toen dat er heel veel uit dat onderzoek zou komen, maar dat was niet zo.
Als zoiets je de eerste keer overkomt, en het is de eerste zwangerschap, dan hebben de artsen en de verpleging zoiets van: het komt allemaal wel goed. Anderen weten gewoon niet hoe ze zich een houding moeten geven. ’Ik heb ook wel eens een miskraam gehad, daar kom je wel overheen,’ zei er een. Maar dat is het stomste wat iemand op zo’n moment kan zeggen. ’Je bent nog jong’, ook zoiets. Het is goed bedoeld, maar ze kunnen dan beter niks zeggen en verdriet hebben met je.
In het ziekenhuis wilden ze me niet op de kraamafdeling leggen tussen de moeders met baby’s en ik belandde in een of ander zijkamertje naast een keukentje. De verpleging zat daar vaak en veel personeel kwam bij me kijken. Dan ging de deur weer open en dan was ’t ’Hallo!’. Het was een sfeer die me ook nu nog heel verdrietig maakt. Ik voelde me in de steek gelaten. De enige van het ziekenhuis die je dan wilt zien, is de gynaecoloog die erbij is geweest. Maar die heeft op een gegeven moment geen dienst meer. Maar ook hij had trouwens in het ontslaggesprek niet méér te melden dan wat er gebeurd was, en een houding van: we zien wel.
Het was eigenlijk een aaneenschakeling van akelige dingen tijdens die dagen in het ziekenhuis. Op een gegeven moment stond er een arts-in-opleiding in de kamer, zo’n jong ventje, met: ’Ik kom even de harttonen van de baby beluisteren’. Ik begon meteen te huilen en zei wat er was. Dat was zo ongemakkelijk, voor hem ook. ’Dan hebben ze me naar de verkeerde kamer gestuurd,’ zei hij. Ik zie hem daar nóg staan met dat ding in zijn handen. Die was dus gewoon verdwaald...
Toen naar huis, en ik ben vrij snel opgekrabbeld. Ik was weer toekomstgericht. Ik heb veel steun gehad van familie en vrienden. Dat is een verrijking achteraf, dat doet goed. Maar er was ook wel een bepaalde druk; althans, zo heb ik dat ingevuld. Mensen durfden na verloop van tijd niet te vragen hoe het ermee stond, of ik alweer zwanger was. Mijn eerste impuls na mijn thuiskomst was, dat ik onmiddellijk weer in verwachting wilde raken. Maar ik besloot toch dat er een tijdje overheen moest gaan, tot ik echt weer helemaal fit was. ’En... hoe is ’t?’ vroegen ze dan. Maar eigenlijk wilden ze vragen of het al zover was. Dat vond ik zelf ongemakkelijk.
Na een jaar was ik weer zwanger. Ik voelde me meteen al tien keer slechter dan in de vorige zwangerschap, en met dertien weken werd het een miskraam. Ik werd ’s nachts wakker met een bloeding, het was alsof er een kraan openstond. Pim heeft er een handdoek bijgehaald. Ik dacht: dat stopt zo wel, maar dat deed het niet. Die nacht zijn we halsoverkop naar het ziekenhuis gereden. Daarna ging het heel snel. Ik moest onmiddellijk onder narcose voor een curettage, vanwege die bloeding. Dokter De Jong heeft mij toen behandeld. Ook met hem heb ik nadien nog een paar keer te maken gehad. Dat was een goeie.
Ik herinner me nog hoe ik na die miskraam bezig was om weer zwanger te worden. Het was voor mij uitgesloten dat het wéér fout zou gaan. Dat is een soort overlevingsdrang. Dat zat hem ook in de percentages die ze je dan voorrekenen. Een placenta-loslating en een miskraam hebben in de statistieken niks met elkaar te maken. Het zijn afzonderlijke dingen waar medisch gezien geen touw aan vast te knopen is. Dan ga je zelf ook zo denken: je hebt het één meegemaakt, en ook het ander. Punt.
Toen werd ik zwanger van Timo. Er waren geen extra controles; geen extra onderzoek. Mijn bloeddruk was goed. Twee dagen voor de uitteldatum zijn we gaan wandelen. We belandden op een terras in de zon en daar verloor ik vruchtwater, maar ik heb geen moment van paniek gehad. We gingen naar het ziekenhuis en de geboorte van Timo verliep heel voorspoedig. Acht pond woog hij. De volgende dag moest hij in quarantaine, want ik had koorts. Dat zou op een infectie kunnen duiden, en als ze dat afwachten kan het voor de baby fataal zijn. Bij mij sloeg de paniek toe: o, er is wéér iets! O god, dacht ik, niet bij mij!
Dus daar lag die bolle baby, in de couveuse. We hebben daar nog foto’s van. Dat is zo grappig, nu je hem goed kent. Je ziet dan dat snoetje, hij lag echt te puffen. Hij had genoeg energie om zichzelf warm te houden. ’s Nachts, als ik niet kon slapen, werd ik door een aardige verpleegster naar de afdeling gereden waar Timo lag. Dat was erg steunend. Achteraf denk ik dat er toen helemaal niks aan de hand was. Wij kwamen recht uit de zon, van dat terras. Wie weet was mijn temperatuur daardoor licht verhoogd. Maar goed, ze namen geen risico. In medisch opzicht was toen het bewijs geleverd dat het ook goed kon gaan bij mij, in mijn lichaam. Het was een bevestiging: zie je wel! Ook voor jezelf. En dan verandert er zo veel.
‘In het begin zoek je naar wie de schuld heeft, ook bij jezelf’
Als je één kind hebt, dan wil je er meer, dat is zo logisch. Pim en ik hadden allebei ervaring met broertjes en zusjes, en dat wil je dan heel graag ook voor je kind.
In die tijd zochten ze vanuit het ziekenhuis vrouwen die wilden meedoen met een onderzoek. Dat had te maken met een bepaald eiwit in het bloed. Ze dachten dat mensen met een verhoogd gehalte daarvan een grotere kans op miskramen hebben. Je mocht niet zwanger zijn als je deelnam. Ik wilde daar wel aan meedoen, maar ik heb wel gezegd dat ik graag zwanger wilde worden. Dat gaf niet; de deelname voor mij zou gewoon ophouden als het ervan kwam. Ik moest iedere week nuchter komen en na een eiwitrijk ontbijtje deden ze metingen. Met de resultaten deden ze nog niks. Daar was ik eerlijk gezegd ook niet benieuwd naar. Ik was niet bezig met antwoorden. Ik had Timo toch? Het was toch goed gegaan!
Na een poosje raakte ik opnieuw zwanger. Die zwangerschap was van het begin af aan heel zwaar. Ik was moe, moe, moe. Maar ja, je hebt al een kindje, en we gingen in die periode ook nog verhuizen, dus daar wijt je het aan. Het was allemaal veel drukker. Ik had veel last van mijn bilspier. De pijn daarvan liep helemaal door tot in mijn been. Ik liep ervoor bij de fysiotherapie. Op een dag - ik was in de 26-ste week - was het nog erger dan anders. Het straalde helemaal uit naar mijn rug. Ik kreeg een massage van de fysiotherapeute en toen ging het weer wat beter. Ik naar de stad, maar daar werd het toch wel heftig. Achteraf gezien bleken dat dus rugweeën te zijn. Die had ik nog nooit gehad, dus dat herkende ik niet. Ik ben vanuit de stad rechtstreeks naar het ziekenhuis gereden. Bij de balie aangekomen zei ik: ’Ik heb geen afspraak, maar het voelt niet goed.’ Of er spoed bij was, werd er gevraagd. ’Ik wacht wel even,’ zei ik, want zo voelde ik het niet. En ik ben daar nog gewoon gaan zitten.
De gynaecoloog kwam, deed onderzoek en constateerde dat ik al ontsluiting had. Ik moest onmiddellijk naar de afdeling, en binnen de kortste keren lag ik aan de weeënremmende middelen. Dat zijn hormonen waardoor je je heel opgejaagd gaat voelen. Ik wilde het ziekenhuis wel uitrénnen. Je hart gaat als een gek tekeer. Als ze kwamen vragen of het al minder werd met de weeën, dan zei ik ’ja’, want ik was bang dat ze anders met de therapie zouden stoppen en dan ging het zéker mis, dat wist ik. Dus ik wilde door. Ik heb daar een paar uur zo gelegen. Mijn moeder is nog langsgeweest, met Timo. Op een gegeven moment was er echt geen houden meer aan. De bevalling was al helemaal op gang, ondanks die weeënremmers. Die kracht is zó groot, dat kun je niet tegenhouden. Dus toen werd Noud geboren.
Ze hadden van tevoren gezegd dat de levenskansen heel klein waren. We moesten erop rekenen dat hij meteen zou overlijden. Dus wij waren erop ingesteld dat het ongeveer zo zou zijn als met Bas. Maar hij heeft het nog twee dagen volgehouden. En op een of andere manier ben je daar dan ook niet op voorbereid. Hij was voor zijn leeftijd best krachtig, en hij huilde heel hard. ’Kijk toch eens,’ zeiden de verpleegsters die kwamen kijken, ’zo’n kleintje.’ Dus dan komt de vertwijfeling, ook bij de artsen. De grens ligt eigenlijk bij 27 weken, maar ze wilden hem toch een kans geven. ’s Nachts is hij toen naar het dichtstbijzijnde academisch ziekenhuis gebracht. Hij kwam op neonatologie, met een team van wel zes mensen. Het is net science-fiction, al die apparaten met allemaal toeters en bellen, en heel weinig licht, want dat is niet goed voor de heel kleine kindjes.
Je hebt zo weinig keus, hè. Ze geven dan aan dat hij daar naartoe kan, maar achteraf denk ik: we hadden gewoon in het ziekenhuis moeten blijven, waar hij geboren was. Hij had het tóch niet gered, zijn longetjes waren gewoon nog niet goed. Maar ze wilden het proberen, ze vonden hem zo levendig.
Toen hij eenmaal naar dat universiteitsziekenhuis ging, hadden we nog hoop. Maar toen hij daar eenmaal lag, geloofde ik er niet meer in. Het was gewoon niet goed. Het was zo ongelooflijk moeilijk om te zien... Ja, ik heb het echt zo gezien, dat ze iemand die graag dood wil in leven proberen te houden. Verschrikkelijk. Zo’n strijd om alsjeblieft te kunnen inslapen. Het is net andersom als bij iemand die vecht voor z’n leven. Je zág het steeds minder worden. Ik vond dat je dat goed kon zien, ja. Als dat niet zo was, zou je het daar uitschreeuwen om te zorgen dat ze alles in het werk zouden stellen om je kind te redden. Maar hoe hij erbij lag... we vonden het verschrikkelijk om hem dat aan te doen. Hij lag daar met zijn hele lijfje te zwoegen, je ziet de metertjes dalen, dan gaat er weer een alarm.
Op een gegeven moment hadden we een gesprek met de kinderarts. Die vroeg wat wij ervan dachten. De kansen waren heel klein, zei hij. Ze konden eventueel nog aan de gang met een apparaat dat de functie van de longblaasjes overneemt, maar dat brengt in veel gevallen complicaties met zich mee. Het kindje was zo jong nog... de kans was nihil. Toen hebben we gezegd: dan stoppen we er meteen mee. Dat is verschrikkelijk moeilijk. Maar toch was die beslissing een opluchting. En ik kreeg van die arts het gevoel dat we gelijk hadden.
We kregen een kamertje apart waar we konden gaan zitten met Noud. Toen hebben ze alle slangen afgekoppeld en na een tijdje is hij overleden. Dat duurde best nog lang, maar dat was ook wel weer fijn. Vanaf dat Noud uit die kast is gekomen - want zo noem ik die hele stellage - heb ik er wel goede herinneringen aan. Ik heb tegen hem gepraat, en toen is hij zachtjes ingeslapen. Je bent overmand door verdriet, maar je zit ook in een soort roes. Je maakt zóveel mee in heel korte tijd… Toen hebben we Noud mee naar huis genomen, zodat Timo er ook bij betrokken was. Op die avond zijn er heel veel vrienden en familie bij ons geweest. We hebben een heel fijn contact gehad met een begrafenisonderneemster en toen het zover was hebben we Noud met ons drietjes naar het crematorium gebracht. We hadden zelf muziek uitgekozen en we hebben samen afscheid genomen. Timo, die was toen 3, heeft een van zijn kabouters in het mandje gelegd. Daar hebben we nog foto’s van gemaakt. Pim heeft het mandje met Noud erin toen zelf naar de crematie-oven gebracht. Daar moest ík niet aan denken hoor, maar Pim had zoiets van: dan wil ik hem ook tot het eind toe brengen.
We gaan wel eens naar het kerkhof. De urn is bijgezet in het grafkeldertje van mijn vader. Dus als we naar opa gaan, gaan we ook naar Noud.
Omdat Noud geleefd heeft, was dit toch anders dan de eerste keer. Het is eigenlijk geen vergelijking, want als het je de eerste keer overkomt is alles ingrijpend, ook de bevalling op zich. Gek eigenlijk, dat je dat soort dingen met elkaar gaat vergelijken. Het is allemaal verdriet, en toch ga je het in een bepaald hokje plaatsen.
Uit het onderzoek waar ik aan deelnam, bleek dat het homocysteïnegehalte in mijn bloed te hoog was. Dat hield het risico in dat ik kans had op miskramen en op loslating van de placenta. Dat was dus al bekend voordat ik in verwachting raakte van Roos, maar ze mochten het toen nog niet naar buiten brengen omdat het nog in de onderzoeksfase was. Extra foliumzuur, twee tabletjes per dag, dat verkleint het risico...
Ik ben fris aan de zwangerschap van Roos begonnen. Er zat twee jaar tussen. Ook nu weer had ik goede moed. Mensen zeiden wel eens tegen me: ’Hoe durf je het aan? Dat je daar nóg een keer aan begint! Maar zo voelde het eigenlijk helemaal niet. Niet dat ik blind bezig was of zo, dat zwanger worden het enige was, maar ik wilde gewoon graag nóg een kind.
Toen ik 38 weken was en uit bed stapte kreeg ik heel erge steken. En ik herkende het gevoel, het was hetzelfde als de eerste keer. Ik durfde het niet tegen Pim te zeggen. Terwijl ik op de rand van het bad zat, zei ik tegen Pim: ’ Bel maar even, want volgens mij moeten we naar het ziekenhuis.’ Hij vroeg waarom. ’Misschien zijn dit wel de eerste weeën,’ zei ik toen. Dat wou ik ook heel graag, dat dat het was. ’Hoe voelt het dan?’ vroeg Pim. ’Het voelt niet goed,’ was mijn antwoord.
In de auto zei Pim: ’Het is hetzelfde als de eerste keer, hè Myriam?’ En ik: ’Ja, het voelt precies hetzelfde.’ In het ziekenhuis aangekomen zei ik: ’Ik moet nú metéén! Ik voel dat het niet goed is.’ Pim drong ook aan, maar ze zeiden: ’We willen eerst luisteren.’ Ik: ’Je hoeft niet te luisteren, het is gewoon niet goed!’ Toen de assistente luisterde, zei ze niks. Daarna kwam eerst nog het hoofd van de afdeling. Het wachten was op de gynaecoloog. En ik had nog wel gezegd, toen we belden, dat ze meteen mijn dossier moesten opzoeken. Misschien konden ze dan nog iets redden. Achteraf bekeken zal het wel niet gekund hebben, maar als ze in elk geval de moeite hadden gedaan...
Pim drong ook aan: ’Jullie moeten iets doen, want ik zie dat precies hetzelfde gebeurt als de eerste keer.’ Het was afschuwelijk. Al met al duurde het wel een half uur tot de gynaecoloog kwam. Hij constateerde dat het een loslating van de placenta was. Het kindje was al overleden.
Toen moest het hele circus weer opnieuw beginnen. Het hele verhaal van voren af aan: de ontsluiting moest op gang komen. Narcose of een ruggenprik kon niet, want mijn bloedbeeld was te slecht. Ik heb toen veel morfine gehad. Maar het hielp bijna niet en het was snel uitgewerkt. Telkens moesten ze de dosis verhogen. Ik had continu kramp, en dan sta je op je kop in bed, dat kan ik je wel vertellen. Ik was gewoon aan het flippen. Ik dacht: ik ga zo meteen van mijn stokje en dan kom ik er niet meer uit. Dus ik bleef rechtop zitten. Ik dacht: ze krijgen me er niet onder!
Al met al duurde het niet zo lang als met Bas, maar het was toch heel lang. En toen is Roos geboren. Ze woog acht pond. Een prachtig, gaaf meisje, helemaal voldragen; het was ongelooflijk. Dat ongeloof kwam ook van alle mensen die zeiden: ’Waarom hebben ze dat kind niet gehaald?’ En dan ga je dat zelf ook denken. Achteraf gezien vind ik dat ze mij niet goed in de gaten hebben gehouden. En dat toen de uitslag van dat onderzoek al bekend was, is achteraf gezien natuurlijk helemaal zuur. Er is nooit naar gekeken, het is niet met elkaar in verband gebracht. Niemand had blijkbaar op tijd het overzicht.
Ik weet niet of ze het echt hadden kunnen voorkomen. Daar ben ik nu niet zo erg meer mee bezig. Het is gewoon gebeurd. In het begin zoek je naar wie de schuld heeft, ook bij jezelf. Ik heb dat na verloop van tijd kunnen loslaten, want het kostte me te veel energie. Die wil ik gebruiken voor mijn leven nu. Ik ben nu veertig en ik heb nog een heel leven vóór me. Ik wil een leuke moeder zijn voor Timo en genieten van wat ik heb. Pim en ik hebben het heel goed met elkaar en dat wil ik graag zo houden. Ik heb ervan geleerd dat je op een gegeven moment moet toegeven dat je je leven niet helemaal zelf kunt bepalen.”
Riet van Rooij
Uit privacy-overwegingen zijn de namen in dit verhaal veranderd.